|


|
 |
Laila Lalami (Rabat, 1970) studeerde in Marokko, Engeland en de Verenigde Staten. Ze is redacteur van de literaire weblog www.moorishgirl.com en ze schrijft artikelen voor The Los Angeles Times, The Nation en The Independent. Hoop en andere gevaarlijke verlangens is Laila Lalami’s debuutroman, die werd genomineerd voor diverse prijzen. Ze woont in Portland (Oregon), de Verenigde Staten, waar ze werkt aan haar tweede roman.
Inhoud
Halima is haar dronken echtgenoot en de sloppenwijken van Casablanca ontvlucht; Murad, werkt bij gebrek aan echte banen als gids voor toeristen in Tanger; Aziz laat zijn toegewijde vrouw achter in de hoop op een baan in Spanje; en Faten, een studente en godsdienstfanate, ligt vanwege haar geloof overhoop met een invloedrijke man.
Wat heeft hen ertoe gedreven om hun leven te riskeren? En zullen de beloningen het gevaar waard zijn?
Het met veel gevoel, schoonheid en lef geschreven Hoop en andere gevaarlijke verlangens is de indrukwekkende debuutroman van een fascinerende nieuwe stem in de wereldliteratuur.
In gesprek met Laila Lalami
Wat inspireerde jou om dit boek te schrijven?
Het bericht stond helemaal onderaan de pagina van de digitale editie van Le Monde – vijftien Marokkaanse immigranten waren verdronken toen ze de Straat van Gibraltar in een vissersbootje probeerden over te steken. Ik las het artikel aan mijn bureau in Los Angeles, waar ik werkte als computerlinguïst. Ik woonde toen al acht jaar in Amerika en smachtte altijd naar nieuws over Marokko. Eerst dacht ik dat deze tragedie een op zichzelf staand incident was, iets ongebruikelijks, een bizarre loop der gebeurtenissen. In de tijd daarna leken de incidenten zich echter te vermenigvuldigen.
Al gauw werd er in het Marokkaans-Arabisch een scheldwoord voor deze immigranten verzonnen – harragas, wat betekent: verbranders. Of ze hun papieren, levens of toekomst verbrandden, wist ik niet. Ik vroeg me af wat mensen ertoe bewoog grote sommen geld te betalen om hun leven te riskeren voor ongetwijfeld derderangs baantjes. De artikelen gingen nooit verder dan oppervlakkige details: de een was al vijf jaar werkloos, een ander had 4000 dollar betaald, voor weer een ander was het de derde poging.
Wat trok je aan in de verhalen van deze immigranten?
Ze leken zo verschillend van mijn eigen verhaal. Ik had niet naar een baan hoeven zoeken in Marokko. Toen ik in Taalkunde afstudeerde, had ik twee banen aangeboden gekregen als docent Engels aan de universiteit, en ik schreef ook voor het Marokkaanse dagblad Al-Bayane. Toen ik besloot om in Amerika te gaan promoveren in plaats van in Marokko les te gaan geven, ontving ik binnen enkele uren een visum en de consulair ambtenaar kletste vriendelijk met me door het glazen raampje dat ons scheidde.
En toch was er iets in de verhalen van de harragas dat me heel bekend voorkwam. In mijn geboorteland had ik nooit ver hoeven kijken om het soort tegenspoed te zien dat mensen tot wanhopige daden kan drijven. Een van mijn neven kon geen fulltime baan krijgen en hij en zijn vriendin, waar hij al vier jaar mee samen was, konden niet trouwen. Ondertussen emigreerde de zoon van onze buren naar Frankrijk en kwam iedere zomer langs met een auto vol cadeaus en apparaten. Een van de kruidenierswinkels in onze straat was geopend dankzij geld dat de zoon van de eigenaar vanuit Nederland opgestuurd had. Veel mensen begonnen emigratie als een magische oplossing te zien.
Hoe heb je je verder in het onderwerp verdiept? En waarom heb je er juist in de vorm van een roman over geschreven?
Tijdens mijn onderzoek naar het onderwerp, leerde ik dingen over illegale immigratie – wat het betekent, hoe het werkt, wie er baat bij heeft. Dat onderzoek kwam echter alleen maar neer op feiten en getallen; het vertelde me niet wat ik wilde weten. Ik schreef al jaren fictie en ik dacht dat de antwoorden op mijn vragen misschien lagen in het creëren van een verhaal over een groep harragas. Ik begon het verhaal op een reddingsbootje, op de zee, in het midden van de nacht. De personages ontwikkelden zich gedurende enkele maanden.
Staan de personages ver van je af?
Het lijkt misschien alsof ik niets gemeen heb met mijn personages, maar ik had net zo goed een van hen kunnen zijn als het lot het anders met mij voor had gehad. Misschien is het geen toeval dat Murad net als ik afgestudeerd is in Engels, dat hij een gretig lezer is. Of dat Faten me doet denken aan een aantal van mijn vriendinnen op school, die me vaak vroegen waarom ik mijn haar niet bedekte. In die tijd heb ik hun opmerkingen van me afgeschud, maar Faten was niet zo makkelijk tot zwijgen te brengen. Misschien is het niet toevallig dat ik over een moeder, Halima, begon te schrijven net op het moment dat ik op het punt stond er zelf een te worden en dat ik, net als Aziz, te kampen heb gehad met het gevoel van misplaatstheid dat deel uitmaakt van het leven van een immigrant. Door het schrijven heb ik veel tijd met mijn personages doorgebracht. Zelfs nadat ik mijn manuscript af had, bleven ze bij me. Zo nu en dan fluisteren ze nog in mijn oor.
In de pers
‘Laila Lalami schetst een genuanceerd beeld van een complexe situatie (…) prachtige roman over bootvluchtelingen’ de Volkskrant
‘Lalami’s boek is even eenvoudig als doeltreffend’ NRC Handelsblad
‘Je mag het gerust een droomdebuut noemen (…) haar parelende, betrokken vertelling’ Noordhollands Dagblad
‘Het boek leest alsof het een documentaire is, over ‘echte’ mensen’ Fier
‘Een goed geschreven, bijzonder, levensecht en aangrijpend verhaal over illegalen’ NBD/Biblion
‘Laila Lalami geeft in haar roman de naamloze vluchtelingen uit de nieuwsberichten een gezicht en doet dat in een prachtige stijl zonder opsmuk’ Starstyle
‘Een boeiend boek om te lezen’ boeken.rubriek.nl
‘Lalamis proza is mooi gestileerd en ze roept een adequaat beeld op van het dagelijkse leven van deze gelukszoekers’ Nu.nl
‘Een fascinerend boek. Een boek dat de anonieme vluchtelingen uit kleine berichtjes in de krant een gezicht geeft’ Vrouw.nl
Leesclubvragen
en discussieonderwerpen
- Hoe zien de hoofdpersonen – Murad, Halima, Aziz en Faten – zichzelf voordat ze proberen om Spanje binnen te komen? Wie zijn ze, volgens hun eigen gedachten? Wie zijn ze geworden aan het eind van het boek?
- Welk effect heeft de tijdlijn van de roman? Hoe is het om na de proloog het ‘Vooraf’ gedeelte te lezen, dat het resultaat van de hoofdpersonen al onthult? Zou jij uit Marokko zijn gevlucht als je in hun schoenen had gestaan?
- Wat verklaart de vriendschap tussen Noura en Faten in ‘De godsdienstfanate’? Zet Noura zich slechts op een natuurlijke manier af tegen haar ouders, of heeft haar afkeer van hen een andere betekenis? Hoe kan je haar bekering zien in het licht van de vijandelijkheden tussen religieuze en seculiere bewegingen in de Marokkaanse maatschappij, en in de Arabische wereld in het algemeen? Op welke manier kan je deze conflicten vergelijken met religieuze conflicten in de Verenigde Staten, zoals het debat over het wel of niet gebruiken van de bijbel in de rechtzaal?
- Had Halima de rechter moeten vertrouwen in ‘Met de bus’? Woont ze in een wereld waar scheiden (en familierecht in het algemeen) een politieke zaak is? Of is haar dilemma slechts een gevolg van cultuur? Is cultuur een afspiegeling van politiek en andersom?
- Waarom slaagt Aziz in de proloog in zijn poging en de andere passagiers niet? Wat maakt hem anders? Wat is de prijs die hij moet betalen voor zijn financiële succes in Spanje? Op welke manier verschilt zijn toekomstdroom van die van zijn vrouw?
- Waarom is de toekomst voor Murad en voor mensen zoals hem zo beperkt? Wat voor marketing technieken laat Murad gedurende de roman zien, en hoe zouden deze hem geholpen hebben in een meer welvarend land? Wat verzekert een land van economische voorspoed?
- Is het Larbi’s schuld dat Faten een soort odaliske (concubine) is geworden in “De odaliske”? Wat was haar lot misschien geweest als ze niet van de universiteit gestuurd was?
- Als Faten zich afvraagt of Noura de hijab heeft gehouden, besluit ze: ‘Noura droeg hem waarschijnlijk nog steeds. Ze was rijk; ze kon zich de luxe van een geloof veroorloven’. Op welke manier spelen geld en stand een rol in de verhaallijn van de roman? Welk onderscheid wordt er gemaakt tussen degenen die legaal naar het buitenland kunnen, door middel van universiteiten of banen in belangrijke bedrijfstakken, en degenen die dat niet kunnen?
- Zoek de definitie van ‘Moor’ op in verschillende woordenboeken. Hoe verschillen de definities van elkaar? Wat dacht je dat het woord betekende voordat je deze roman las?
- Zoek de Straat van Gibraltar, Tanger en Casablanca op op een kaart. Welke observaties kan je maken over het formaat en de topografie van dit gebied? Wat heb je van de roman geleerd over de geografie van deze poort tussen Europa en Noord-Afrika?
- Murad verdient een gedeelte van zijn armzalige inkomen met het verdienen aan Westerse toeristen die het leven van Paul Bowles willen herleiden ,of van andere Westerse auteurs die het exotische van Marokko hebben vereeuwigd. Hoe wordt Marokko door buitenstaanders behandeld in fictie? En hoe typeert Laila Lalami haar thuisland?
- Hoe dient Murad’s vertolking van het betoverde-kleed-verhaal als een metafoor voor de laatste passages in de roman? Wat wordt er in ‘De verhalenverteller’ tussen hem en de toeristen uitgewisseld?
- Bespreek de titel van de roman. Wat ligt er aan de basis van de hopeloosheid van de personages? Wat zijn hun minst gevaarlijke verlangens?
- Welke immigratieverhalen bestaan er in jouw familiegeschiedenis? Kan je je een wereld zonder armoede en onrecht voorstellen, zodat niemand zich gedwongen voelt zijn leven te riskeren om te immigreren? Als je gedwongen zou worden je huidige staatsburgerschap op te geven en naar een ander land te vluchten, waar zou je dan heengaan? Welke culturele prijs zou je dan moeten betalen?
leesfragment
De reis
Veertien kilometer. Murad heeft het afgelopen jaar honderden keren over dat getal nagedacht, waarbij hij voor zichzelf probeerde uit te maken of het gevaar dat hij zou lopen het waard was. Op sommige dagen zei hij tegen zichzelf dat het een afstand van niets was, een klein ongemak, en dat de oversteek bij goed weer maar een kleine dertig minuten zou duren. Hij kon urenlang dagdromen over wat hij zou doen wanneer hij eenmaal aan de andere kant zou zijn, stelde zich zijn baan voor, zijn auto, zijn huis. Op andere dagen kwamen er alleen maar gedachten bij hem op over de kustwacht, het ijskoude water en het geld dat hij zou moeten lenen en peinsde hij erover hoe veertien kilometer niet alleen twee landen van elkaar kon scheiden, maar ook twee totaal verschillende werelden.
De zee lijkt vannacht kalm, er is slechts nu en dan een zuchtje wind. De kapitein heeft bevolen alle lichten te doven, maar door de maan aan de heldere hemel kan Murad nog steeds om zich heen kijken. De zes meter lange Zodiac-rubberboot is geschikt voor acht personen. Er zit nu dertig man in op elkaar gepropt – mannen, vrouwen en kinderen, allemaal met die bange blik in hun ogen van iemand wiens lot in de handen van een ander ligt – de kapitein, de kustwacht, God.
Murad heeft drie lagen kleding aan: hemd, coltrui en jas. Daaronder een thermische onderbroek, spijkerbroek en gympen. Omdat hij pas drie uur van tevoren op de hoogte werd gesteld van het vertrek, had hij geen tijd meer gehad om aan een regenbroek te komen. Hij drukt op een knopje van zijn horloge, een nep-Rolex die hij van een straatventer in Tanger heeft gekocht en ziet op het nu verlichte display dat het 3.15 uur ’s morgens is. Hij krabt onder zijn horloge en veegt de schilfertjes weg die het metaal op zijn pols achterlaat, trekt daarna zijn mouw naar beneden om het uurwerk te bedekken. Terwijl hij om zich heen kijkt, vraagt hij zich af hoeveel kapitein Rahal en zijn mannen hier wel niet aan verdienen. Als de andere passagiers net zoveel als Murad hebben betaald, is de vangst bijna 600.000 dirham, genoeg voor een appartement of bescheiden huisje in een Marokkaanse badplaats als Asilah of Cabo Negro.
Hij kijkt naar de Spaanse kustlijn die met iedere ademhaling dichterbij komt. De golven zijn inktzwart, op hier en daar wat vlokken schuim na, die wit in het licht van de maan glinsteren als grafstenen op een donker kerkhof. Murad kan de stad waarnaar ze op weg zijn al onderscheiden. Tarifa. De uitvalsbasis van de Moorse invasie van 711. Murad had toeristen altijd vermaakt met verhalen over die invasie, zoals de anekdote over hoe Tariq Ibn Ziyad met een machtig leger de Straat had overgestoken en bij aankomst op Gibraltar had bevolen alle schepen te verbranden. Hij had zijn soldaten gezegd dat ze verder konden marcheren en de vijand overwinnen of omdraaien en een laffe dood sterven. De manschappen gehoorzaamden hem, liepen de West-Goten onder de voet en stichtten een imperium dat meer dan zevenhonderd jaar over de Spanjaarden zou heersen. Wisten de Spanjaarden veel dat we terug zouden komen, dacht Murad. Alleen in plaats van met een vloot, zitten we hier nu in een opblaasbootje – niet zuiver Moren, eerder een bonte verzameling mensen uit de voormalige koloniën, zonder wapens of harnas, zonder charismatische leider.
Toch is het het waard, zei Murad tegen zichzelf. Even op deze aftandse rubberboot en daarna heb ik een baan. Het zal in het begin niet makkelijk zijn. Hij zal net als alle anderen op het land moeten werken, maar hij zal uitkijken naar iets beters. Hij is niet zoals de anderen – hij heeft een plan. Hij wil zich niet de rest van zijn leven uitsloven voor de spagnol en zijn sinaasappels en tomaten plukken. Hij zal een echte baan vinden waar hij zijn opleiding bij kan gebruiken. Hij is afgestudeerd in Engels en daarbij spreekt hij vloeiend Spaans, in tegenstelling tot sommige van de harraga.
Zijn been slaapt. Hij probeert zijn enkel te bewegen. Links van hem gaat het meisje (hij denkt dat ze Faten heet) een klein beetje verzitten zodat haar dij niet meer tegen die van hem drukt. Ze zal achttien of negentien zijn. ‘Mijn been slaapt,’ fluistert hij. Faten knikt om aan te geven dat ze hem heeft gehoord, maar kijkt hem niet aan. Ze trekt haar zwarte vest strak om zich heen en staart naar haar schoenen. Hij begrijpt niet waarom ze een hijab draagt voor een reis als deze. Dacht ze nou echt dat ze in Tarifa met een hoofddoek over straat zou kunnen lopen zonder de aandacht te trekken? Ze zou zo opgepakt worden, dacht hij.
Toen ze nog op het strand aan het wachten waren totdat Rahal klaar was, had Faten apart gezeten, ver weg van de anderen, en het leek wel of ze zat te mokken. Ze was als laatste de boot in geklommen en Murad had moeten opschuiven om ruimte voor haar te maken. Hij begreep haar tegenzin niet. Het was in zijn ogen niet mogelijk zoveel geld te betalen en dan niet graag willen vertrekken als het moment eenmaal aangebroken was.
Tegenover Murad zit Aziz. Hij is lang en slungelig en zit ineengedoken om in de weinige ruimte die er is te passen. Dit is zijn tweede poging om de Straat over te steken. Hij vertelde Murad dat hij bij Rahal had afgedongen op de prijs van de overtocht, hij had geredeneerd dat hij als terugkerend klant korting zou moeten krijgen. Murad had ook geprobeerd te onderhandelen, maar uiteindelijk had hij evengoed nog bijna 20.000 dirham van een oom moeten lenen. En nu zit de lening weer in zijn hoofd. Hij zal zijn oom terugbetalen zodra hij een baan heeft.
Aziz vraagt om een slokje water. Murad geeft hem zijn flesje Sidi Harazem en kijkt toe hoe hij een teug neemt. Als hij de fles weer terugkrijgt, biedt hij het laatste beetje aan Faten aan, ze schudt haar hoofd. Er was Murad verteld dat hij ervoor moest zorgen dat hij niet zou uitdrogen, dus heeft hij al de hele dag water gedronken. Hij moet ineens heel nodig plassen en buigt zich naar voren om het in te houden.
Naast Aziz zit een man van middelbare leeftijd met vettig haar en een groot litteken over zijn wang, net zo een als Al Pacino in Scarface heeft. Hij draagt een spijkerbroek en een overhemd met korte mouwen. Murad had hem aan iemand horen vertellen dat hij tennisleraar is. Hij heeft gespierde armen, zijn spierballen zijn duidelijk zichtbaar, maar hij straalt het ruwe soort energie uit van een man die het geregeld met de wet aan de stok heeft. Murad merkt dat Scarface naar het kleine naast hem staart. Ze zal zo’n tien jaar oud zijn, maar de uitdrukking op haar gezicht is die van een ouder kind. Haar ogen, die glinsteren in het maanlicht, nemen het grootste deel van haar gezicht in beslag. Scarface vraagt haar hoe ze heet. ‘Mouna,’ zegt ze. Hij haalt wat kauwgom uit zijn broekzak en biedt het haar aan, maar het meisje schudt vlug haar hoofd.
Haar moeder, Halima, had aan Murad gevraagd hoe laat het was voor ze aan boord gingen, alsof ze zich aan een schema te houden had. Ze werpt Scarface een grimmige, dreigende blik toe en slaat één arm om haar dochter heen en de andere om haar twee zoontjes, die rechts van haar zitten. Halima’s blik is gericht, niet ontwijkend zoals die van Faten. Ze heeft een aura van ernstige vastberadenheid om zich heen waar Murad respect voor heeft, ook al vindt hij haar onverantwoordelijk of op zijn minst dwaas omdat ze het leven van haar kinderen riskeert met een reis als deze.
Rechts van Aziz zit een tengere Afrikaanse vrouw die haar vlechtjes in een losse staart heeft gebonden. Toen ze op het strand wachtten totdat ze zouden vertrekken, had ze een sinaasappel geschild en Murad de helft aangeboden. Ze vertelde dat ze uit Guinee kwam. Ze heeft haar armen om haar opgetrokken benen geslagen en wiegt zachtjes heen en weer. Rahal blaft haar toe dat ze daarmee moet ophouden. Ze kijkt op, probeert zich een tijdje niet te verroeren en geeft dan over op Fatens laarzen. Het meisje geeft een gil bij het zien van haar bevuilde schoenen.
‘Hou je kop,’ snauwt Rahal.
De Guinese vrouw fluistert in het Frans haar excuses. Faten wuift ze weg, zegt dat het niet uitmaakt, dat zoiets kan gebeuren. Al snel stinkt het kleine bootje naar braaksel. Murad trekt zijn col over zijn neus heen. Die ruikt naar wasmiddel en munt en houdt de stank buiten, maar na een paar minuten penetreert de zure lucht evengoed. Halima gaat rechtop zitten en ademt hoorbaar uit, met haar kinderen nog steeds tegen zich aan gedrukt. Rahal kijkt haar boos aan en zegt dat ze moet zakken om de boot in evenwicht te houden.
‘Laat haar toch,’ zegt Murad.
Halima kijkt hem aan en glimlacht voor het eerst. Hij vraagt zich af wat haar plannen zijn, of ze naar een echtgenoot of broer toe gaat of dat ze huizen zal moeten schoonmaken of op het land zal moeten werken. Hij moet denken aan sommige illegalen die, in plaats van in een rubberboot te stappen, het land proberen binnen te komen in vrachtwagens met groente die van Marokko naar Spanje vervoerd worden. Vorig jaar had de Guardia Civil in Algeciras een vrachtwagen met tomaten aangehouden waarin bovenop de kratten de lichamen van drie illegalen werden gevonden die de verstikkingsdood waren gestorven. Op een boot kan dat tenminste niet gebeuren. Hij probeert aan iets anders te denken, iets waarmee hij de herinnering aan de foto die hij toen in de krant had gezien kan verdrijven.
|
 |