|

|
 |
Béa Gonzalez is geboren in 1962 in Vigo, Spanje en emigreerde als kind naar Canada. Ze studeerde Europese Letteren en Geschiedenis aan King’s College aan de universiteit van Londen. Korte verhalen van haar verschenen in The Globe and Mail en The Toronto Star. Tweemaal was ze finaliste in de Saturday Night Literary Competition van CBC Radio. Ze organiseert themareizen naar Spanje en Latijns-Amerika, waarin het werk van Spaanse en Latijns-Amerikaanse en schrijvers centraal staat. Béa Gonzalez debuteerde met de roman De bitterzoete smaak van tijd. Haar tweede roman, The Mapmaker’s Opera, zal in 2006 bij Sirene verschijnen.
Inhoud
‘La Reina’ María Encarna – de mooie en imponerende matriarch van de familie – woont met haar twee ongetrouwde zusters, haar twee dochters en haar kleindochter in een oud huis in Galicië, in het noorden van Spanje. Wanneer zij er een pension van maakt, opent zij haar huis en het hart van haar familie voor vreemden.
In de periode van de Spaanse Burgeroorlog, de dictatuur en de eerste jaren van de democratie worden de Encarna-vrouwen de rijkste familie van de stad. Maar ondanks hun succes en volharding klopt rampspoed aan hun deur, gewoonlijk in de gedaante van een man – en bijna altijd op vrijdag. De bitterzoete smaak van tijd is een rijke en gelaagde roman over de wervelende geschiedenis van een familie van opmerkelijke vrouwen; een verhaal over passie, trots, liefde en oorlog. Afwisselend humoristisch, tragisch en met een vleugje magisch-realisme staat De bitterzoete smaak van tijd garant voor vele uren puur leesplezier.
In gesprek met Béa Gonzalez
Het ontstaan van De bitterzoete smaak van tijd
In het najaar van 2004 ging ik voor drie maanden naar Galicië, Spanje, om onderzoek te doen voor een reisgids die ik wilde schrijven over dit relatief onbekende stuk van het Iberisch schiereiland. Spanje is een van de drukst bezochte landen ter wereld, na de Verenigde Staten en Frankrijk is het een van de populairste vakantiebestemmingen.
Galicië, een regio in het noordwestelijk deel van Spanje, pal boven Portugal, staat in de rest van het land bekend als een gebied waar het altijd regent. Het heeft geen zin het mooier te maken dan het is – tijdens de lange wintermaanden zie je de zon zelden vaker dan één dag per maand en de temperatuur daalt regelmatig tot net boven het vriespunt. Ondanks het weer, of misschien juist dankzij, is Galicië een van de mooiste delen van Spanje – een streek met bossen, talloze rivieren en beekjes, zacht glooiende heuvels en duizend kleuren groen.
Ik heb een persoonlijke band met Galicië. Ik ben er geboren en hoewel ons gezin naar Canada emigreerde toen ik zes jaar was, heb ik er vele zomers doorgebracht. Eind jaren ’70 heb ik er drie jaar op de middelbare school gezeten.
Het Galicië van mijn jeugd was een totaal andere wereld. In de straten van het dorp waar mijn grootmoeder woonde liepen nog koeien rond, auto’s waren een luxe die maar weinig mensen zich konden veroorloven en de hoogste vorm van vermaak was niet de televisie, maar de keuken van mijn grootmoeder, waar veel dorpelingen samenkwamen om elkaar verhalen te vertellen, wijn te drinken en te eten en tot in de kleine uurtjes te lachen.
De drie maanden die ik in 1994 in Galicië doorbracht bewezen dat de traditie van verhalen vertellen nog net zo levend is als voorheen, ondanks de technologische en economische verbeteringen. En zo gebeurde het dat na vele bezoeken aan vrienden, avonden van eten en praten en verhalen vertellen (van een moderner soort) mijn reisgids een roman begon te worden. Hoe langer ik daar was, hoe meer ik over de regio te weten kwam, hoe duidelijker ik de Encarna-vrouwen voor me ging zien.
Een van de meest gestelde vragen met betrekking tot deze roman is waarom de mannen die erin voorkomen allemaal verdwijnen. Vanaf het begin stond me voor ogen dat de familie die centraal staat in het boek voornamelijk uit vrouwen moest bestaan. Vanuit historisch oogpunt leek dit een logische keus. Omdat Galicië een van de armste regio’s van Spanje was, voelden de mannen van Galicië zich bijna gedwongen naar Latijns-Amerika of Duitsland te emigreren op zoek naar werk om hun gezin thuis te kunnen onderhouden. Soms emigreerden ze met het hele gezin, maar vaak ook lieten ze hun vrouw met de zorg voor huis en have achter en bouwden ver van huis een nieuw bestaan op. In sommige gevallen stierven de mannen in deze landen, maar doorgaans kwamen ze simpelweg nooit meer terug.
In mijn eigen familie zijn de vrouwen altijd het sterkst geweest. Mijn grootmoeder van vaders kant en haar twee zussen waren zo sterk dat de meeste mensen in het stadje waar ze woonden bang voor ze waren. Een van die zussen, mijn oudtante Basilisa, begon een hotel in Carballino (dat model stond voor mijn fictieve Canteira) en maakte in dat stadje de dienst uit tot ze stierf, bijna negentig jaar oud. Ze was een twistzieke vrouw, die de obers en koks van het hotel én haar familieleden terroriseerde, maar een interessanter en vermakelijker wezen was moeilijk te vinden. Het personage van María la Reina, vooral op hogere leeftijd, vindt haar oorsprong in Basilisa, hoewel datgene wat María overkwam niet opgaat voor mijn oudtante, die, al met al, een redelijk rustig leven heeft gehad.
Al schrijvende had ik vaak genoeg de neiging de mannen erin te laten, maar, helaas, mijn personages dachten daar anders over. Het personage van Artur is gebaseerd op de vele jongemannen die ik eind jaren zeventig in Galicië ben tegengekomen. Dit was de begintijd van de nieuwe democratie en na veertig jaar bewind van dictator Franco mochten de talen en culturen van Spanje die het zwijgen waren opgelegd eindelijk hun stem weer laten horen.
Ondanks de politieke onrust en de veranderingen die Spanje in de twintigste eeuw onderging, bleven de Encarna-vrouwen en hun relaties tot elkaar centraal staan in de roman. Via hun personages kon ik alle dingen kwijt die ik met Spanje en mijn eigen jeugd associeer – het eindeloze vertellen van verhalen, de enorme hoeveelheden eten, de veerkracht van mensen geconfronteerd met een soms onvoorstelbare wanhoop, en, bovenal, hun enorme levensdrang, ondanks teleurstellingen, misleidingen, en de wispelturigheden van het bestaan.
De vrouwen in De bitterzoete smaak van tijd zijn voor mij even levend als mijn eigen familieleden. Het is echt zo dat de vrouwen vaak een verandering aanbrachten in de loop der gebeurtenissen of ervoor zorgden dat ze een weg insloegen die ik niet had bedacht. Als María la Reina, oog in oog met de mannen die haar huis zijn binnengedrongen om haar te beroven, meedeelt dat ze ‘wil blijven leven’, verwoordt ze de belangrijkste gedachte in de roman – en de reden waarom het jaar dat ik met de Encarna-vrouwen doorbracht een van de plezierigste van mijn leven was.
In
de pers
‘Een boek om in één adem uit te lezen, thuis of tijdens de vakantie in Spanje’ Spanje Magazine
‘Als een duik in een schilderij van Goya’ The Globe and Mail
‘Een juweel’ The Edmonton Journal
‘Gonzalez treft precies de juiste toon. Haar beeldende taal laat je schateren van plezier (…) Ze schrijft met haar heupen, een wervelende waardering voor de verrukkelijke dans van het leven (…) een eersteklas literair werk’ The Vancouver Sun
Leesclubvragen
en discussieonderwerpen
- Wat is het belang van vrijdagen in het boek? Welke gebeurtenissen vinden plaats op vrijdag en welke gevolgen hebben die voor de vrouwen? Hoe brengen de gebeurtenissen aan het slot het bijgelovige vertrouwen van de vrouwen in de vrijdag aan het wankelen?
- Vergelijk hoe de vrouwen aan hun bijnamen komen (María la Reina, Carmen de Heilige). Beschrijven deze bijnamen de vrouwen op juiste wijze of kiezen de vrouwen ervoor zodanig te handelen dat ze voldoen aan de rol die de gemeenschap hen op die manier oplegt?
- Op welke manier beïnvloeden de mannen die kort tot de vrouwenkring worden toegelaten de onderlinge relaties van de vrouwen en hun ideeën over zichzelf?
- Hoe gebruikt de schrijfster toespelingen op toekomstige gebeurtenissen, zonder dat ze daarover verder uitwijdt in het verhaal? De lezer verneemt bijvoorbeeld al op pagina 60 dat Asunción het gezicht van Manuel ziet voordat ze sterft, terwijl dat pas jaren later gebeurt.
- Een van de vele verhaallijnen in De bitterzoete smaak van tijd is de interactie tussen María en Manuel. Ligt de haat van María werkelijk besloten in aantrekkingskracht, zoals Manuel gelooft? Stuurt zij hem daarom weg? Of zijn haar motieven egoïstisch – om zichzelf ervan te weerhouden toe te geven en op die manier misschien het leven van haar dochter kapot te maken, zodat ze geen van beiden Manuel kunnen hebben? Zijn er andere verklaringen voor de spanningen tussen de personages? Denk je dat de auteur met opzet de waarheid in het midden laat in deze verhaallijn?
- Hoe vertegenwoordigen Gloria en María tegelijkertijd de botsing tussen generaties en de ontreddering waarmee culturele verandering gepaard gaat?
- Geef aan hoe dit boek een verhaal over gedwarsboomd verlangen is.
- Beschrijf hoe vanaf de geboorte van Artur de rotsvaste waarheden waar de Encarna-vrouwen altijd naar geleefd hebben aan het wankelen worden gebracht.
- Uiteindelijk gaat het verhaal over tijd. Zoek de verschillende verwijzingen naar tijd op in de tekst (bijvoorbeeld al het inleidende gedicht van Robert Penn Warren) en geef aan hoe ze bijdragen aan het verhaal en hoe ze de titel mede kunnen verklaren.
© HarperCollinsPublishers Ltd, Toronto, Canada
Leesfragment
Canteira, Spanje, 1997
Vroeg in de ochtend stroomden de mensen toe om het spektakel met eigen ogen te aanschouwen. De oude vrouwen waren er als eerste, zoals altijd in het zwart. Hier en daar zag je een spikkeltje grijs in een blouse, of een zweempje groen van een sjaal die om een bejaarde rug was geslagen. De jeugd verscheen een poosje later, helemaal opgewonden, wat zich uitte in plagerijtjes op schelle toon en voortdurend gelach. Hun moeders’ oproep om nu eens stil te zijn sloegen ze in de wind, want je kunt toch niet stil zijn als kijk, mamá, mira, alles om je heen afbrokkelt, de hemel zich om je sluit, de wereld die wij kennen instort. Vóór hen stonden de slopers, vermoeid uitziende mannen in blauwe spijkerbroeken en stoffige katoenen hemden. Enkelen rookten, allemaal waren ze geamuseerd door de golf van verwachting die door de menigte ging: de ouderen die al bejammerden waarvan ze getuige zouden zijn, de jongeren die genoten van de spanning van wat hun te wachten stond.
Het Encarna en Hoop Hotel, dat ooit het belangrijkste gebouw van Canteira was, in de vervlogen dagen van de Dictator – voor een enkeling ‘die goeie ouwe tijd’, een tijd van ongelofelijke onwetendheid voor de meesten – zou als eerste neergehaald worden. Meestal liet men leegstaande gebouwen wegkwijnen, stortten ze stukje bij beetje in tot er alleen nog een geraamte overeind stond, de welbekende hulzen van beton en graniet die je aantreft rond menige plaats in het moderne Spanje.
Dit gebouw stond op een van de aardigste plekken van de stad, vlak naast het balneario dat ooit vele mensen had aangetrokken, madrileños en s evillanos in smetteloos witte hemden, die voor hun ziekten van lever en huid genezing zochten in het zwavelhoudende water van de hete bronnen van het balneario. Maar dat was langgeleden, toen men nog geloofde in die dingen, toen een kuuroord de troost beloofde die je tegenwoordig zoekt in tincturen en pillen, in de dagen dat men salades schuwde omdat men ervan overtuigd was dat deze je artritis verergerden en je huid donker kleurden. In die dagen was de stad vol leven. Tegenwoordig was dat leven ver te zoeken in Canteira.
Het was de laatste van de grote Encarna’s geweest, Gloria Encarna, die het stuk land met het hotel erop aan de stad had vermaakt. Het moest een park worden, een glorieus stukje natuur dat de naam van haar geliefde zoon Artur zou dragen. Artur Encarna. Al meer dan tien jaar dood, maar nog steeds een levende herinnering. Jaren nadat zijn dood de rust van een slaperige dinsdagnacht had verstoord was deze nog steeds het gesprek van de dag; een verhaal dat werd verteld alsof het gisteren pas was gebeurd, het waarom en waarvoor nog steeds even onduidelijk, ook na zo lange tijd.
Degenen die in het gemeentehuis zetelden en verantwoordelijk waren voor het goedkeuren van dit soort zaken waren er fel op tegen geweest het park naar hem te vernoemen. Ze konden zich het tumult al voorstellen dat zou ontstaan als de burgers de inscriptie met die naam zouden zien, in de regionale kleuren wit en blauw. Wekenlang hadden ze manieren gezocht om eronderuit te komen, de voors en tegens gewikt en gewogen, deskundigen geraadpleegd, gevochten en geworsteld met de juridische kant van de zaak. Het was don Pastor geweest, de burgemeester, die met een oplossing was gekomen. Vernoem het naar die andere Artur, had hij gezegd. Sí , hombre, die van de Ronde Tafel en de vele lovenswaardige idealen. Een Keltische koning voor een Keltische uithoek van Spanje – een poëtisch land dat zichzelf verliest in de mist van zijn valleien, in zijn weelderig groene heuvels, in de pracht van zijn tienduizenden meanderende rivieren en heerlijke stroompjes.
Die avond kwamen degenen in Canteira die alles nog wisten bijeen om de namen van de andere Encarna’s één voor één op te dreunen. Als eerste die van María la Reina. De matriarch die met het hotel was begonnen toen de stad nog mensen aantrok uit andere regio’s en van nog verder weg. Haar zusters, Carmen de Heilige – een heilige, gewis, een van de meest gelovige vrouwen ooit in deze stad geboren – en Cecilia, zo vet als een varken, maar wat een verhalen, eh? Een beter verteller bestond niet. María’s dochters, Matilde, met een hart van goud, en Asuncíon, voor altijd verdwenen in haar eigen wereld. En dan de laatste van de grote Encarna-vrouwen. Asuncíons dochter Gloria, het meest zakenvrouw van hen allemaal, slimmer dan duizend professoren, maar zo meedogenloos als de winden die gedurende de eindeloze wintermaanden de stad geselden.
Degenen die alles nog wisten stonden daar nu, keken in stilte toe hoe het hotel met één oorverdovende klap in elkaar stortte, en de aanblik prikte in hun ogen, het geluid schuurde tegen hun zintuigen, de smaak schroeide het puntje van hun tong.
Het Encarna en Hoop Hotel was voorgoed verdwenen. Zo vielen de groten, zo wankelde de oude orde, en was niet meer. In enkele ogenblikken restte er niets meer dan puin, stukjes en beetjes van het majestueuze pand dat in het centrum van de ooit zo levendige stad had gestaan.
Amén , fluisterde de oude vrouw. Het laatste woord in menig verhaal. Het laatste woord als alle andere woorden zijn gezegd en handen in gebed worden samengevouwen.
1920 – 1930
Later, nadat vele jaren verstreken waren en ze beter in staat waren alle gebeurtenissen van toen te overzien, zouden ze opmerken dat er altijd al een steekje had losgezeten aan Asunción Encarna. Een rare vogel. Een vrouw vol kuren en grillen. Net zo eigenaardig als die buitenlanders die in felgekleurde korte broeken en met hoog opgetrokken sokken naar de Spaanse kusten kwamen.
Haar eigenaardigheid – die haar jaren later tot het verzamelen van klokken zou drijven, in allerlei soorten en maten – kon men terugvoeren op wat zich op een vrijdag in 1920 op het station had voorgedaan. Want daar had Manuel Pousada, sinds twee prille maanden haar echtgenoot – en zelf ook gek, sprong iemand daarop in, een crimineel van het ergste soort, voegde een ander daaraan toe – vergeefs getracht haar tranen te stelpen en een eind aan haar smeekbeden te maken om te voorkomen dat ze zichzelf te kijk zou zetten. Hij was zich maar al te bewust van het geroddel en had weinig trek in een scène tijdens hun laatste minuten samen.
Terwijl hij niet eens van haar hield , zouden ze later zeggen. Nee, hij leek totaal niet bedroefd haar achter te moeten laten.
Manuel Pousada en Asunción Encarna waren die dag op het station omdat Manuel met de trein naar de kust moest. Daar zou hij de boot naar Brazilië nemen. Brazilië! Wat had hij daar lang naar uitgekeken. Hij liet het woord genotzuchtig op zijn tong rusten; alleen de gedachte eraan was al hemels. De tranen van zijn vrouw en haar puberale, hysterische gedrag irriteerden hem nu hij zo dicht bij zijn droom was, nu zijn hoofd al bij een veel beter leven was, bij de verhalen die hij had gehoord van al degenen die hem vóór waren gegaan en waren teruggekeerd met goud en vrouwen en vooral met de hitte – sí, vooral die hitte, die ze in zich hadden gesloten en mee terug hadden genomen, die schitterde in hun ogen en glansde in hun haar en gloeide in hun kaarsrechte, nieuwe manier van lopen.
En toen nog één kus, nog een laatste keer omkijken, een knikje met zijn hoofd en weg was hij, de trein in en haar leven uit. Nog meer tranen en nog meer kommer en die belofte – cariño, had hij gezegd, nu is het alleen nog maar een kwestie van tijd.
En het was inderdaad een kwestie van tijd voor Asunción iets van hem hoorde, maar voor het zover was stortte ze een vloed van verwensingen uit over het verouderde en inefficiënte postsysteem van de regio en de dommige postchef, die daar echte tranen van wanhoop om huilde. Toen de brief eindelijk arriveerde, vertelde ze aan niemand wat erin stond. Nadat ze hem had gelezen vouwde ze hem weer keurig in vieren op en verkondigde ze aan iedereen dat haar echtgenoot zich bij de gelederen van de dierbare overledenen had gevoegd.
Drie maanden later, in augustus 1920, na een lange dag en een nog langere nacht, werd hun dochter Gloria geboren. In de kamer waar Asunción lag, bevonden zich ook haar moeder María, haar zus Matilde, en haar tantes Carmen en Cecilia, die haar bijstonden bij het zuchten en persen. Ook doña Emilia was er, de vroedvrouw van het stadje, en de twee oude vrouwen die alle vrouwen in Canteira door het baringsmysterie heen hielpen, doña Teresa en doña Elena – beiden zeer gerespecteerd omdat ze ieder acht gezonde baby’s op de wereld hadden gezet, en altijd bereid waren het verloop van iedere bevalling uit de doeken te doen, teneinde iedereen eraan te herinneren dat een geboorte omgeven was door vele gevaren en evengoed iets anders dan gezonde en vrolijke kinderen kon opleveren.
Buiten in Canteira was het zo stil als in het heelal; slechts een enkel geluid onderbrak de nacht – het gejank van een hond, het hortende balken van een ezel, en zo nu en dan klonk er ook een verre en lichaamloze stem uit de heuvels, die er paars en gehavend uitzagen in het oprukkende duister. Het was een hete avond, een van de heetste dat jaar. De grote ramen in de slaapkamer stonden nog open, maar het warme briesje dat naar binnen dreef drong nauwelijks door in de drukkende, vochtige lucht. Asunción had zich al maanden voor de bevalling opgesloten in deze kamer, rouwend om haar dode echtgenoot en biddend voor een goede gezondheid van haar ongeboren kind. Daar zou ze in ieder geval veilig zijn voor de gevaren die buiten loerden, zoals de maan, die de inspiratiebron was van menig gekweld dichter, maar die zwangere vrouwen meden, want als je ernaar keek zou je wel eens een idioot ter wereld kunnen brengen.
Naarmate de bevalling vorderde en Asuncións gekerm schriller werd en haar ongemak groter, onderbraken doña Teresa en doña Elena vaker hun verhalen om de vroedvrouw ongewone maatregelen af te dwingen.
Breng ons een broek of een hoed van haar man , zei doña Teresa tussen twee extreem sterke weeën. Er bestaat geen betere manier om de pijn te verzachten dan met een kledingstuk van de vader. Moge hij rusten in vrede, voegde ze daar snel aan toe, terwijl ze een kruis sloeg.
Bidden tot San Ramón werkt altijd , zei doña Elena. De keren dat ik tot hem heb gebeden zijn niet meer te tellen.
María, Asuncións moeder, een ontzagwekkende vrouw die weinig ophad met de praatjes en vreemde ideeën die de ronde deden in de stad, met de angst voor de doden en het bijgeloof dat zoveel mensen in zijn greep hield, wuifde de raadgevingen van deze vrouwen ongeduldig weg.
Ze richtte zich tot haar zuster Cecilia – een nerveuze, emotionele vrouw, die elke contractie en daarmee gepaard gaande schreeuw begeleidde met een furieus Dios mío – en beval haar nog wat water te koken in de keuken, meer om haar zuster de kamer uit te krijgen dan dat er werkelijk water nodig was.
Later zou juist Cecilia het verhaal van de bevalling vertellen, met zoveel overdrijving en overdaad aan details dat uiteindelijk geen van de mensen die erbij waren geweest nog kon onderscheiden wat feitelijke herinnering was en wat erbij verzonnen was door Cecilia’s opgewonden geest. Wat waar en niet te weerleggen was, ook al omdat het deel van de geschiedenis van de stad uitmaakte, was dat Gloria werd geboren in een wereld vol vrouwen. Haar vader was niet alleen voor haar geboorte omgekomen in een onvoorstelbaar en ver land, maar had ook zijn vrouw achtergelaten onder de hoede van haar moeder, twee tantes en een jongere zuster. Wat ook waar was, was dat Asunción bijna erin was gebleven, door al het persen en zuchten, alle tranen, al haar wanhopige geschreeuw. Haar geschreeuw was tot in Castilië te horen geweest – volgens Cecilia, tenminste, die gedurende bijna de hele beproeving Asuncións hand had vastgehouden en had geprobeerd haar pijn te verzachten door haar te dwingen bijna twee volle glazen aguardiente te drinken, maar wel voorzichtig, slokje voor slokje, tot Asunción dronken was geworden en waanvoorstellingen had gekregen van de verwoestende combinatie van drank, verlangen en pijn.
Tijdens een bevalling ontdek je de liefde , zou Asunción hun na afloop vertellen, toen het kind eenmaal geboren was en ze zo door verdriet was overweldigd dat ze zeker wist dat ze een glimp van Manuel had opgevangen, boven haar zwevend als een sombere engel zonder vergiffenis. Met dubbele tong had ze zijn naam zo vaak en met zoveel gevoel uitgesproken dat de vrouwen in tranen waren uitgebarsten; zelfs Edelmiro, de boerenknecht, die nog nooit had liefgehad en nog nooit had gerouwd, zelfs hij had het gevoel gehad alsof er een gat in zijn maag was gebrand door de bijtende dampen van dat hartstochtelijke en onvervulde verlangen.
Het is tenminste een meisje . De grootmoeder van het kind zei het als eerste. Haar twee zusters, Cecilia en Carmen, en haar dochter Matilde hadden het wel gedacht maar niet gezegd, omdat dat iets was wat alleen een grootmoeder kon doen. María zei het pas nadat haar dochter Asunción was opgehouden met huilen; pas na drie weken van gesnik zei María het, en alleen maar om de hoognodige orde terug te laten keren in het huis.
Ze had de vader van het kind, Manuel Pousada, nooit vertrouwd. Brutale ogen, schaamteloze verlangens. Niet meer dan een boer die gedachteloos en zonder waarschuwing hun leven was binnengewandeld en in één stiekeme ochtend haar dochter had verleid.
Maar nu was er deze pasgeborene, zijn pasgeboren kind, een meisje van wit marmer. Cabrón, dacht ze onbarmhartig. Weer een man die vertrokken was naar de andere wereld, waar hij onbezwaard door herinneringen en vrij van verplichtingen rond kon lopen. Maar tijdens haar verwensingen bedacht María zich wel, en niet voor het eerst, dat Manuels dood misschien zo slecht nog niet was geweest.
Na de geboorte van het kind duurde het geruime tijd voor het ritme van voorheen weer was opgepakt – voor de vrouwen het werk weer konden voortzetten dat hen voedde en kleedde in een wereld waarin geld altijd een onzeker vooruitzicht was. Jarenlang al voorzagen de vrouwen in hun levensonderhoud door kost en inwoning te verschaffen aan de vele reizigers die de stad aandeden, op weg naar de kust.
In die tijd bloeide en bruiste Canteira van illegale handelsactiviteiten. De stad lag midden in de Spaanse provincie Galicië, tussen de Atlantische kust en de grens met León, en fungeerde als stopplaats voor de eindeloze stroom contrabandistas, eerst te paard en later in Renaults en Peugeots, op doorreis naar de kust om goederen op te halen die ze verkochten in de duistere steden van het Spaanse binnenland.
Het hele land was toen al afgegleden tot een treurig verval. Stuk voor stuk hadden de overgebleven koloniën in Amerika hun onafhankelijkheid opgeëist van de onbekwame nationale regering van Spanje. Na 1898 restte er niets meer dan bittere woorden, geschreven door een generatie schrijvers die hun schaamte uitstortten in de gapende wond die de koloniën achterlieten. Het enige waar Spanje nu op kon bogen waren hebberige grondbezitters, vadsige Jezuïeten en ontevreden mijnwerkers die het moment afwachtten dat ze een vuist konden maken tegen de eigenaars van de stinkende hellegaten waar ze zich een vroege dood in werkten.
In Galicië was het allemaal nog erger. Dit afgelegen deel van Spanje was allang vergeten door het centrale gezag; er leidde geen gemakkelijke weg naartoe en er was geen enkele reden om naar dit straatarme stukje van de wereld te reizen. Dit noordwestelijke gedeelte van het Iberisch schiereiland had slechts één vaste bezoeker, de regen, die de sla sappig maakte en het grasland ondraaglijk mooi, maar die ook zorgde voor een oneindige aaneenschakeling van donkere avonden, zodat hier meer zwaarmoedigheid heerste dan in heel Spanje. Deze streek, groener dan Ierland, melancholieker dan duizend romantische dichters, werd geroemd om zijn bovennatuurlijke schoonheid. Maar de mensen die er woonden werden door hun landgenoten over het algemeen afgedaan als ongeletterde boeren, ook door de spaarzame bezoekers uit het buitenland, die met de bijbel zwaaiden en riepen om bekering van het zondige papendom – om erachter te komen dat niet de Kerk van Rome het hoogste gezag voerde in de kleine steden en nog kleinere dorpen hier, maar het geloof in bosgoden, zwarte magie en wellustige wolvenmannen, net als de doedelzakken en stenen forten boven op de heuvels erfenissen van een Keltisch verleden.
Canteira was toen al een prachtige stad – lang voordat beton en hotels er een levendige en bedrijvige boel van hadden gemaakt, voordat emigranten geld begonnen over te maken, in de tijd vóór miniatuurkathedralen en vijfdaagse fiestas met maagden behangen met goud en parels. Toen bood de stad al een ongelofelijke aanblik, omgeven door het schitterendste natuurschoon van de hele streek en in zomernachten omspannen door een hemelgewelf met ontelbaar veel sterren en een maan die glansde als broos porselein.
Het was María geweest die het idee had gekregen van hun huis een pensión te maken. Het was een immens groot huis, gebouwd door hun oom Ignacio die, amper een jongen nog, naar Mexico was vertrokken en tien jaar later als man was teruggekeerd, fatsoenlijk en eerlijk, aantrekkelijk en rijker dan hij ooit in zijn jeugd had kunnen dromen. Hij had het huis gebouwd met het idee snel te trouwen en het te vullen met tien vrolijke kinderen die hem met toewijding en liefde zouden overladen. Hij was een gelukkig man – misschien wel de laatste gelukkige man die die familie zou voortbrengen –, maar zijn aanstekelijke optimisme maakte hem blind voor de klimatologische beperkingen van deze hoek van Spanje, waardoor hij een huis bouwde dat eigenlijk thuishoorde in Andalusië, waar de zon maanden achter elkaar ononderbroken schijnt. De Galicische werklui – doorgaans zwijgzame en sombere lieden, die iedereen wantrouwden die de wereld anders zag dan als een vat vol smarten – lieten zich onmiddellijk door don Ignacio’s enthousiasme meeslepen en begonnen werkelijk te geloven dat het huis dat hij in zijn hoofd had ontworpen, compleet met een gigantisch hof en een met engeltjes versierde stenen fontein van Zuid-Spaanse makelij, op de een of andere manier de somberheid van de Galicische winterdagen zou weten te verdrijven. Toen het huis eindelijk af was, deed don Ignacio een stapje achteruit en slaakte hij een tevreden zucht. Hij zag een goed geproportioneerd, rechthoekig huis, uit graniet gehouwen door de talentvolle steenhouwers van de stad, met acht slaapkamers, vier in de westelijke en vier in de oostelijke vleugel van het huis, een ruime keuken met Portugese blauwwitte tegeltjes, en aan de voorkant de kamer die hij het mooist vond: een salon, groot genoeg voor zeker twintig mensen, die in de winter werd verwarmd door een fraaie houtkachel die voldoende hitte uitstraalde om zelfs de aan beide kanten erachter gelegen kamers te bereiken. Het huis, gelegen aan de buitenkant van de stad op een mooi stuk land vol appel-, vijgen- en kersenbomen, aan de westkant begrensd door een murmelend beekje en in het noorden door het prachtige, golvende heuvelland van Canteira, zou al snel de afgunst oproepen van eenieder die het op weg naar de stad passeerde.
Helaas zou don Ignacio niet lang genoeg leven om het huis met kinderen te vullen, niet eens lang genoeg om een geschikte echtgenote te vinden, omdat hij kort na de bouw ten prooi viel aan de tyfusepidemie die velen van het leven beroofde in de lange winter van 1881. Zo kwam het dat het huis in handen kwam van zijn jongere broer, de vader van María, Carmen en Cecilia – een zwakke man die geen greintje van de uitbundigheid bezat die don Ignacio zo geliefd had gemaakt in de stad en die, hoezeer hij zijn best ook deed, niet in staat was een mannelijke erfgenaam voort te brengen die het geboortetrauma zou overleven – een punt dat hij aanvoerde om zijn ledige bestaan en het vele getier tegen zijn vrouw te rechtvaardigen. Toen hij stierf, slechts enkele maanden na María’s huwelijk met Arturo Pérez Barreiro, was het huis jammerlijk in verval geraakt. De verf op de muren was weggevreten door vocht en de houten vloer was in verschillende gradaties verrot.
Het zou jaren kosten om het huis in volle luister te herstellen, maar María bezat alle vastberadenheid waaraan het haar vader had ontbroken en bovendien had ze de wind er goed onder bij haar zusters. Carmen en Cecilia zouden ongehuwd blijven en zich schikken in hun respectievelijke taken in het huis. Cecilia zwaaide de scepter in de keuken en Carmen had de zorg voor de dieren en ging over het werk op het land. María kreeg snel achter elkaar twee dochters, Asunción en daarna Matilde. Acht jaar later was haar man, nog geen dertig jaar oud, dood. Geconfronteerd met een leven zonder het salaris dat Arturo als een van de twee schoolmeesters van de stad ontving, stelden de zusters het huis een jaar later open voor vreemden. Ze boden bedden aan met geborduurde lakens uit Camariñas, wijn uit de Ribeiro-vallei en streekgerechten bereid onder het toeziend oog van Cecilia, uitgegroeid tot een gigantische vrouw die steeds dikker werd door haar koortsachtige, onverklaarbare honger, die ze stilde met chorizo, versgebakken brood, en, in de herfst, het ene na het andere pond gepofte kastanjes. Later, toen Cecilia was overleden, maakte Gloria er een gewoonte van om chorizo, gemaakt van de najaarsslacht, mee te nemen naar het graf van haar oudtante, waar hij in een mum van tijd verdween, opgegeten door de wolven of door iemand die op het kerkhof had rondgehangen; maar eigenlijk geloofde Gloria dat hij naar binnen was geslokt door Cecilia zelf, die alleen en hongerig in haar keukenloze kist van zwart notenhout en gerimpeld fluweel lag.
Het was nog geen week na Gloria’s geboorte dat er drie gasten te paard aankwamen bij het pensión.
Catalanes , zei Cecilia tegen de anderen op haar samenzweerderigste toontje. Je hoort het aan hun rare manier van praten en je ziet het aan die lappen van hemdsmouwen.
De Catalanes, drie mannen van eind twintig, raakten totaal in verwarring van een huis met zoveel vrouwen – en er is er net nóg een geboren, zei een van de mannen tegen de andere twee, hoewel je dat eigenlijk nog niet met zekerheid kunt zeggen; pas als ze haar ogen opendoet om je met huid en haar te verslinden, weet je dat het een vrouw is geworden – maar ze bleven toch, omdat ze te moe waren om elders een onderkomen te gaan zoeken. Later, toen ze genoeg Ribeiro-wijn naar binnen hadden gegoten om zich over hun aanvankelijke verlegenheid heen te zetten, zongen ze liederen, vertelden ze verhalen en neurieden ze deuntjes voor de nieuwe baby in een vergeefse poging haar te verlossen van haar verdriet.
De volgende ochtend schonk Jordí – de lange Catalaan met de arendsogen, wiens zangstem, een diepe, zwoele bariton, hun jarenlang zou bijblijven omdat hij hun deed denken aan de middernachtelijke optocht van de doden – de vrouwen een stuk Belgisch kant voor het kind, señoras, voor haar doopjurk. María, die niet gewend was aan dit soort vrijgevigheid van vreemden, en vooral niet van vreemden die afkomstig waren uit dat deel van het land waar ze om een onduidelijke reden een hekel aan had, glimlachte voor het eerst sinds hun komst en nam het kant aan. Later zou ze zeggen dat het een goed voorteken was geweest dat deze gasten – ook al waren het drie Catalanes – gaven hadden geschonken aan de pasgeborene op juist deze avond, de langste van het jaar, want het was augustus, en augustusavonden waren alleen maar goed voor pijnlijke herinneringen.
Drie maanden gingen voorbij voor het kant werd vastgenaaid aan het linnen dat de doopjurk zou worden, drie maanden te veel voor don José, de pastoor, die de vrouwen waarschuwde voor de folteringen van het vagevuur die het kind wachtten mocht ze het grote ongeluk hebben te overlijden voor de handoplegging van God op haar voorhoofd te hebben ontvangen.
Die man is een beest in een zwart gewaad , zei María op een avond tegen de anderen, toen hij haar op weg naar de avondmis had aangehouden met de zoveelste onheilspellende waarschuwing. María was nog steeds niet hersteld van de wonden die haar waren toegebracht door de dood van haar man, Arturo Pérez Barreiro, een vriendelijke, zachtaardige man die geleidelijk was weggezakt in een allesoverheersend gevoel van ongeluk, tot de dag dat het hem te veel werd en hij zich, staand op een grenen kruk in de keuken, had verhangen naast de gerookte hammen en strengen knoflook. Het briefje dat hij achterliet bevatte woorden neergekrabbeld in de hand van iemand die weet dat de dood ophanden is, en die woorden griften zich in haar hart tot de dag dat ze stierf en ze ze herhaalde.
Het vlees is willig, cariño, maar het hart kan niet meer.
Haar zuster Cecilia was op zijn lichaam gestuit, zachtjes zwaaiend aan de balken, bewogen door een zacht zomerbriesje, zijn gezicht grijs en vertrokken van de worsteling met zijn zichzelf toegebrachte dood. De geur van Arturo’s dode lichaam zou haar voortaan overal achtervolgen en haar opzwepen tot culinaire experimenten met exotische kruiden en specerijen, die ze in ruime hoeveelheden gebruikte in de hoop dat de scherpte ervan de aanhoudende en verleidelijke lucht van zelfvernietiging zou smoren.
Don José twistte lang en fel met María over het punt of Arturo christelijk begraven mocht worden. Hij betoogde dat God deze niet-boetvaardige zondaar niet in heilige grond zou willen ontvangen en hield haar voor door welke natuurrampen ze allemaal bezocht konden worden als ze het toch zouden proberen; tot María, door het dolle van verdriet en gemis, de goede pastoor uiteindelijk bij zijn boord vatte met de woorden denk maar niet dat ik niet op de hoogte ben van die nachtelijke bijeenkomsten met je politieke enamorados, want dat ben ik wel, jij vuile schoft. Don José, die zich grotere zorgen maakte om zijn toekomst in het tumultueuze politieke klimaat van die dagen dan om een vreselijke vergelding van de kant van de Heer, vergaf de zonden van Arturo Pérez Barreiro ter plekke en ging zelfs zover een breedvoerige lofrede bij de begrafenis te houden zonder ook maar een moment zijn ogen van de weduwe af te wenden, die hem tijdens de hele mis onafgebroken en zonder zichtbare emotie aankeek.
Pas na de doop van Gloria, die plaatshad op een koude novemberdag, leek de rust weergekeerd in het huis. En juist die avond klopte don Miguel, de Andalusiër met de groene ogen, het lange zwarte haar en het voorkomen van een aristocraat, aan hun deur om onderdak te vragen. Don Miguel was van top tot teen in het zwart gekleed en lang – zo groot als een Scandinaviër, vertelde Carmen aan de anderen, hoewel ze nog nooit van haar leven een Scandinaviër had gezien – en er hing een waas van geheimzinnigheid om hem heen. In tegenstelling tot de gebruikelijke waar van de contrabandistas, had de Andalusiër boeken en potten en flesjes bij zich, gevuld met vloeistoffen die glansden in het kaarslicht. In tegenstelling tot de gebruikelijke kletspraat zoals Ik ben op weg naar Vigo, señoras, en mijn vrouw heet Teresa, net als de maagd van San Roca, in tegenstelling tot de bekende praatjes van eenzame, rondtrekkende mannen, zei don Miguel weinig; hij gaf María alleen een paar beknopte instructies over zijn eetgewoonten – vlees halfrauw, vis altijd gestoofd met uien. En, por favor, señora, meer kaarsen in de slaapkamer.
Die man lijkt de duivel in eigen persoon , fluisterde Cecilia die avond zachtjes tegen de anderen. Zijn lengte joeg haar angst aan, evenals de kleur van zijn ogen en het feit dat hij hoofdzakelijk in het zwart gekleed ging, een recht waarvan ze altijd had gedacht dat het uitsluitend aan ongelukkige vrouwen was voorbehouden.
Toen na een week don Miguel nog steeds geen aanstalten maakte om op te stappen en nog even weinig sprak en elke vorm van contact meed, behalve dat met zijn boeken, waarin hij tot in de kleine uurtjes aan het lezen was, begonnen de vrouwen argwaan te krijgen.
Luister, zusters , zei Carmen op een dag tegen de anderen. Niemand blijft langer dan een dag in deze stad. Er valt hier toch niets te beleven? Stel dat deze man een of andere misdadiger is?
Of nog erger, een aanrander – een violador , deed Cecilia er een schepje bovenop en maakte zichzelf daarmee zo bang dat de rest van de dag haar borst onnatuurlijk op en neer ging zodra die kwellende gedachte weer de kop op stak.
Als je het mij vraagt is hij gewoon eenzaam, meer niet , zei Asunción, die het diepe verdriet om haar mans dood deels te boven was gekomen door de afleiding die het verblijf van don Miguel hun bezorgde, en die ook beduidend meer sympathie voor hem voelde.
Maar het was Cecilia, geplaagd door de onprettige gedachte van een dreigende groepsverkrachting, die uiteindelijk haar angst overwon en hem benaderde.
Waar gaat u eigenlijk heen, don Miguel? vroeg ze hem ergens in de tweede week van zijn verblijf, toen ze hem een bord vol gestoofd varkensvlees met tomaten voorzette.
Waarom denk je dat ik ergens heen ga? zei don Miguel, niet eens de moeite nemend haar aan te kijken.
Iedereen die deze stad aandoet is onderweg, señor.
Behalve ik dan , zei hij en hij boog zich over zijn bord, waarmee hij aangaf dat het gesprek wat hem betrof afgelopen was.
Maar die avond, toen ze allemaal met een glas aguardiente rond de warme houtkachel zaten, verbrak de Andalusiër eindelijk zijn gelofte van stilzwijgen en begon hij hun verhalen te vertellen – over plaatsen waar hij was geweest en mensen die hij had ontmoet, verhalen die de verbeeldingskracht van de vrouwen voor weken en maanden aanwakkerde. Hij verhaalde over zijn reizen en bij het licht van witte kaarsen droeg hij met zachte stem gedichten voor, woorden die de vrouwen zo betoverden dat ze er slapeloze nachten van hadden en dagenlang aan niets anders konden denken. Ondanks dat ze hun uiterste best deden om in deze verhalen ook maar het kleinste detail te beluisteren over het verleden van don Miguel zelf, kwamen de vrouwen weinig over hem aan de weet, behalve enkele van zijn lievelingsgerechten, zijn liefde voor de gedichten van Rosalía de Castro en zijn vreemde gewoonte een onbekend deuntje in zichzelf te neuriën terwijl hij zich ’s ochtends van zijn ontbijt ontlastte.
Drie weken lang ging dit zo door en zaten ze in de warmte van de houtkachel, de vrouwen bordurend – op María na, wier ogen altijd te slecht waren geweest om tulpen van camelia’s te onderscheiden – en don Miguel zijn verhalen vertellend. De vrouwen hoorden van verre landen zoals Duitsland, waar, zo zei don Miguel met zijn Andalusische tongval, blonde reuzen woonden die een barbaars grom- en grauwtaaltje spraken.
Nee, dan Spaans, señoras. Dat is de enige taal die tegemoetkomt aan de wensen van de Heer.
Amén , zeiden de vrouwen dan in koor, trots op hun verwantschap met die heilige taal maar in het ongewisse over wat hij eigenlijk bedoelde, omdat de enige andere taal die ze ooit hadden gehoord Catalaans was en ze voor zichzelf hadden uitgemaakt dat het Catalaans door de mensen van het noordoosten was uitgevonden om hen van hun wereld buiten te sluiten, zodat het dus geen taal maar een vorm van snobisme was. Ze vernamen ook wat er in alle uithoeken van Europa gebeurde en ze kwamen allerlei dingen over hun eigen land aan de weet, over Andalusische zigeuners en Baskische herders en Madrileense intellectuelen, die gedichten schreven die beroemd waren in landen waar ze nog nooit van hadden gehoord.
Op de somberste avonden, die waarop de wind om het huis loeide en de regen het dak geselde met een koppigheid die bijna dreigend leek, buitte don Miguel de sluimerende bange gevoelens van de vrouwen uit en vertelde hij de griezeligste, meest verontrustende verhalen uit zijn repertoire. Het was op een dergelijke avond dat don Miguel zich met zijn gebruikelijke glas aguardiente neerzette en zo’n verhaal vertelde, een dat hun nog jaren zou heugen, een verhaal waarmee hij de vrouwen zo’n angst voor katten bijbracht dat er vanaf die tijd niet één meer het huis binnenkwam.
In het hart van Castilië , zo begon hij , in een van die van God en iedereen verlaten stadjes, waar zelfs de honden eruitzien als geesten en waar misvormde, armoedige schooiers de enige mensen zijn die je in het donker ziet, woont Jacobo Ortega, een rijke koopman, een van de rijkste van de streek, maar wel een over wie wordt gefluisterd dat hij zijn rijkdom te danken heeft aan menige twijfelachtige transactie. Ik logeer altijd bij hem als ik door die stad kom, net als mijn vader deed in de dagen dat hij nog zakendeed.
Het was mijn vader die me op hun kat attendeerde – een groot, schurftig geval met een vals karakter dat de kunst verstond dwars door je heen te kijken. Mijn vader wist zich te herinneren die kat al gezien te hebben op de eerste dag dat hij daar kwam; het beest had rechtop op een stoel in de salon gezeten en zijn omgeving oplettend in de gaten gehouden. Toen ik met hem mee begon te reizen en we voor het eerst samen in dat huis logeerden, wees mijn vader me de kat aan. Dat, zei hij, is een dier dat minstens even oud is als ik.
Ik was wel nieuwsgierig naar dat schepsel, want het is niet normaal voor een kat om zo lang te leven en hij zag er nog buitengewoon goed uit voor wat zijn leeftijd zou moeten zijn. Toen we die avond aan tafel zaten, hoorde ik de huiseigenaar uit. ‘Don Jacobo, hoe lang is die kat al in de familie?’
‘Deze kat?’ vroeg don Jacobo, terwijl hij lachend naar het dier wees, dat me nu zelfs met meer venijn dan gewoonlijk leek aan te staren. ‘Die kat, mijn goede vrind, was al bij ons toen mijn grootvader nog leefde.’
Dat was natuurlijk onmogelijk! Geen kat kon zo lang leven – tenzij het vreemde schepsel geen kat was, maar iets veel kwaadaardigers. Ik voelde hoe mijn nekharen overeind gingen staan toen ik dacht aan de enige die zo lang in dit huis zou hebben kunnen rondhangen. Alsof hij mijn gevoelens raadde, probeerde de kat me met een nog gemenere blik te intimideren.
Ik vroeg of ik een beetje van het wijwater mocht hebben uit het vat dat voor in het huis hing. Don Jacobo moest lachen om mijn verzoek, maar willigde het toch in. ‘Je wilt toch niemand in dit huis gaan bezweren met je Andalusische toverkunsten mag ik hopen, mijn beste jongen? Je weet vast wel hoe wij hier in Castilië over dat soort flauwekul denken, don Miguel,’ zei hij, nog steeds lachend.
Iedereen in huis had zich inmiddels in de salon verzameld en lachte mee met don Jacobo, die me een glas wijwater aanreikte en me met een brede armzwaai bij het gezelschap introduceerde. ‘Señores en señoras, voor u staat de net aangestelde hoftovenaar.’
Ik nam het glas wijwater aan en lette niet op hun gelach. De kat leek klaar om boven op me te springen, zijn lijf was strakgespannen en zijn ogen daagden me uit hem aan te vallen. Ik doopte mijn vingers in het wijwater en sprenkelde een beetje ervan op de kop van de kat.
‘Hou op daarmee!’ krijste de kat onmiddellijk. ‘Dat brandt!’
Ik sprenkelde nog wat wijwater over hem heen. ‘Hou op daarmee, zei ik!’ gilde hij nogmaals, terwijl de goddelijke aanraking in zijn nek hem deed huiveren.
‘Wat heb je hier te zoeken?’ vroeg ik hem, terwijl ik het glas water stevig met beide handen omklemde. Alle aanwezigen zwegen nu, geïntrigeerd door ons gesprek.
De kat lachte boosaardig. ‘Ik wacht tot iedereen hier in huis sterft,’ blies hij toen. ‘Degenen die gestorven zijn, zijn al bij me.’
Satanás! Op dit punt lieten de vrouwen hun borduurwerk vallen en hun kreten van ontzetting priemden de avond in. Alleen María bleef ongevoelig voor de dramatische ontwikkeling van het verhaal, hoewel zij degene was die de vrouwen beval stil te zijn opdat don Miguel zijn verhaal kon afmaken.
Satanás, natuurlijk was dat Satanás, mijn beste dames. Zijn slinkse wegen zijn ontelbaar. Ik gooide de rest van het wijwater in één keer over de kat heen, waarna hij opging in rook, maar niet zonder te verzekeren ooit terug te keren.
En toen lachte don Miguel en ging hij verder met luchtiger verhalen, een komisch relaas over overspel in Barcelona, een vertelling over twee dieven in Madrid. Maar het verhaal over de kat zou de vrouwen bijblijven, zou hen die nacht wakker houden en hun ogen in het donker naar duivelstekens laten speuren. Vanaf dat moment werd elke kat met de grootste argwaan bekeken; zelfs María voelde zich niet op haar gemak met alle katten die over het land rond hun huis zwierven.
Elke avond bracht een nieuw verhaal, een nieuwe reden om uit te kijken naar de gesprekken na het avondeten. Soms droeg hij gedichten voor. Van Bécquer, wonderschone woorden van liefde.
Wat is poëzie? zeg je
Terwijl je mijn ogen vasthoudt met jouw ogen zo blauw
Wat is poëzie... Vraag jij dat aan mij?
Poëzie, dat ben jij!
Woorden die de harten van de vrouwen verschroeiden, die hun lust opwekten, alleen al door de gedachte dat zulke gevoelens afkomstig waren uit het hoofd van een man. Woorden die María van streek maakten, woorden die haar een onbehaaglijk gevoel gaven, waarover ze zich wel moest beklagen. Don Miguel, vroeg ze, afkeurend haar hoofd schuddend als hij weer eens vol vuur enkele dichtregels ten beste gaf, zijn dit woorden voor fatsoenlijke vrouwen?
Ay, doña María , antwoordde hij dan met een lach, dit zijn de woorden die alle wonden helen.
Dat waren gedenkwaardige dagen voor de vrouwen, die niet gewend waren aan enige opwinding, behalve die van de dood, en ze waren al snel gewend aan deze late bijeenkomsten rond de houtkachel, aan don Miguels melodieuze stem die het gehuil van de wind buiten tot zwijgen bracht, aan zijn verhalen die hen opnieuw in vervoering brachten als ze er de volgende ochtend tijdens hun drukke huishoudelijke werk aan terugdachten.
Ze reageerden dan ook ontzet op het nieuws, een maand later, dat don Miguel eindelijk weg zou gaan. In de week na zijn vertrek bleven de vrouwen zijn verhalen navertellen, waarbij ze zijn Andalusische accent en karakteristieke intonatie imiteerden, tot María daar een eind aan maakte en ‘ Basta ya! Nu is het uit met die verhalen’ riep, want ze was bang dat ze aan het afglijden waren naar een toestand van waanzin waar ze nooit meer uit zouden kunnen komen.
Voor Matilde was het al te laat. Matilde van het grote hart en de zachte ogen die ze had geërfd van haar gestorven oudoom Ignacio. Matilde met haar alledaagse gezicht, zo flets in het schijnsel van haar zusters schoonheid. Matilde die de laatste jaren steeds onzichtbaarder was geworden en op de achtergrond was komen te staan, samen met de ongehuwde zussen van haar moeder. Maar nu was ze ontwaakt – en bezield, vond haar moeder. Waar kwam die nieuwe gloed van Matilde vandaan? Alleen de duivel kon zoiets opwekken. De duivel, en stoeien met mysterieuze mannen in het donker.
Matilde, wat zit je daar toch in je eentje bij het kaarslicht, Matilde? vroeg haar moeder, vreselijk verontrust door de nieuwe glans die van haar dochter afstraalde.
Niet de verhalen van don Miguel hadden de voorheen zo fletse Matilde naar de voorgrond gehaald, maar de pijn in haar buik die hij teweegbracht, gevoed door jaren van verlangen, eerst naar een vader, vervolgens naar een levensdoel, maar nu naar hem, naar die man in het zwart die om geen andere reden hun huis was binnengewandeld dan om haar het licht te doen zien.
Het eerst viel ze voor zijn handen, voor de wijze waarop ze een glas wijn vasthielden, de overtuiging waarmee ze een verhaal vertelden; toen, ineens, waren het zijn ogen, zo groen, zo vol geheimen dat ze dacht dat ze duizenden verhalen met miljoenen verschillende aflopen in die ogen kon lezen, en ze verpoosde zich met het gissen naar elk daarvan. ’s Nachts verscheen hij in haar dromen, een schimmige figuur die haar wenkte en dan verdween in de vreemde hoeken en gaten van haar koortsachtige verbeelding.
Eén woord, dacht ze, één woord van jou, Miguel, en ik zal zin vinden in dit kleine, genadeloze bestaan, in het verdriet gestraft te zijn met een alledaags gezicht, het verdriet dat God me zomaar in de steek heeft gelaten. Eén woord, en ik zal mezelf anders gaan zien, bergen gaan beklimmen en de woorden die je tegen ons fluistert neerschrijven – tristeza, zeg je, er is niets zo mooi als droefheid. Eén woord en ik zal eindelijk mezelf zijn, en niet deze lege huls die met niemand praat, die bang is, die aan de dood denkt in dat ondraaglijke uur tussen elf en middernacht – één woord en ik zal weer heel zijn en niet half, de helft die in haar eentje moet rondzwerven.
Ten slotte, toen ze dacht dat ze het niet langer kon verdragen en ze zichzelf met de intensiteit van haar emoties had uitgeput, bracht Matilde de moed op om hem te benaderen, maar niet eerder dan dat ze een paar onschuldige vragen had bedacht om te rechtvaardigen dat ze hem stoorde. Zal ik uw lakens verschonen, señor? Kan ik u wat water brengen? En ga zo maar door, routinevragen van het soort waardoor hij haar wel moest zien staan te midden van al die andere vrouwen die hem in dat huis omringden.
Maar de vraag die ze hem uiteindelijk stelde was een heel andere.
Wilt u het mooiste plekje in heel Canteira zien ? vroeg ze. Onmiddellijk begon ze aan de zoom van haar schort te frunniken en moest ze haar uiterste best doen niet in tranen uit te barsten, want wat moest deze man nou met het mooiste plekje in Canteira als hij de hele wereld en opmerkelijke dingen had gezien, dingen die hij in zijn onweerstaanbare Andalusische accent beschreef. Mujeres, had hij gezegd, de hele wereld lonkt naar jullie, en daar stond zij, Matilde, met haar kinderlijke vraag, terwijl buiten de zon scheen met de kracht van duizend ochtenden.
Sí , antwoordde hij. Sí, zei hij, ja en ja, en toen niets meer met zijn mond, maar ze wist zeker dat hij met zijn ogen andere dingen zei. Ze wist zeker dat hij met zijn ogen zei: Ik weet alles over jou, over je eenzaamheid, over je vaders droefheid toen je geboren werd en over je moeders emotionele afwezigheid. Ik weet dat je zuster Asunción het stralende middelpunt was. Daar weet ik van, en ook van andere dingen, de dingen die zich schuilhouden in het diepst van je geest, de dingen die je in het donker komen plagen. Dus geef me je hand, Matilde, geef me je hand en laat me je in het licht van de wereld zetten, daar waar je thuishoort, en niet hier, aan de rand van een duistere hemel, helemaal alleen, dansend op het wijsje van een ver verlangen.
Later die dag wandelden ze erheen. Eerst had Matilde goed omgekeken om zich ervan te vergewissen dat haar moeder de dieren aan het verzorgen was, dat haar tante Cecilia zich voor alle huisbewoners stond uit te sloven achter het fornuis en dat haar zuster Asunción, de zus met de albasten huid en ogen die een oneindige verlokking leken te beloven, bezig was met de baby. De hemel was rood die avond – die dieprode kleur zou haar de rest van haar leven bijblijven, tijdens lange dagen en nachten van onzekerheid zou ze dat beeld weer oproepen – en het zompende geluid van hun schoenen was het enige geluid dat ze maakten toen ze over het kronkelende pad naar de rand van het bos liepen.
Matilde was op het plekje gestuit toen ze acht jaar was, in de periode dat ze haar vader aan het verliezen was aan de diepe droefheid die hem uiteindelijk het leven zou kosten. Bij toeval was ze op het mooiste plekje gestuit, op een zonnige zomerdag, en de rots had haar geroepen – een magische rots, een rots gemaakt door de tijd, die met een scherpe punt uit de grond stak om de hemel te begroeten. Met haar vingers volgde ze de lijn die iemand erin had gekerfd: een vrouwenhoofd met kronkelende slangen als haren, een zespuntige ster en de geheimzinnige woorden anima mundi. Die avond, toen ze haar vaders voeten waste, had ze hem over de rots verteld, en hij had geheel in zichzelf gekeerd naar het plafond gestaard. Ze had hem verteld over de vrouw met het slangenhaar en de ster en ze wist zeker dat ze die avond in haar vaders afwezige blik had gezien dat iets ervan tot hem was doorgedrongen.
Toen Matilde en don Miguel bij de plek aankwamen, het mooiste plekje in heel Canteira omdat daar de hele wereld voor het grijpen lag, het beekje dat haar ’s middags in slaap murmelde, het herkauwen van de dieren en in het westen, in de verte de heuvels van Orense, heuvels die je gemakkelijk voor bergen kon aanzien, zo majestueus waren ze – toen ze bij de plek aankwamen en don Miguel zijn vingers over haar magische rots had laten glijden en ieder vlekje en spikkeltje had bestudeerd, had hij ten slotte naar haar opgekeken, niet met de ongeïnteresseerde ogen van iemand die alles al had gezien, maar met de ogen die ze in haar dromen zag, ogen die riepen en beloofden, ogen, bovenal, die het levende, ademende wezen zagen dat in haar huisde, de geest die de berg had gevonden.
Maar toen ging hij weg en was er geen speciaal afscheid, geen blik, geen heimelijke aanraking van haar blote arm, geen verborgen boodschap. Hij gaf haar wel een van zijn boeken, een in leer gebonden, zwaar boekwerk waarin zoveel woorden stonden dat ze dacht gek te worden van het bladeren alleen al. Maar hij zei niets, er kwam geen opheldering, geen antwoord op de vragen die haar iedere nacht kwelden.
Nadat hij was verdwenen bleef ze gebroken achter; ze las elk woord in dat boek, telkens weer opnieuw, op de langzame, precieze manier zoals haar was geleerd door doña Gertrudes; ze las het van voren naar achteren en van achteren naar voren tot ze hele passages woordelijk kon opzeggen zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben wat die woorden betekenden; ze las het boek telkens opnieuw in een zinloze poging de boodschap eruit te halen die er volgens haar in verborgen zat. En eindelijk, op een dag, op bladzijde 159, daar stond het: amor, las ze, de liefde voor kennis is het antwoord op alles. Maar pas na een jaar moeizaam herlezen drong de kracht van het woord uiteindelijk tot haar door en ontbrandde er een passie in haar waarmee de rest van haar levensdagen vervuld zou zijn.
Vanaf dat moment zocht ze de hele stad af naar boeken en betaalde ze contrabandistas om boeken mee te brengen van de kust, die verpakt in een buitenlandse krant en ruikend naar kabeljauw en rijpe tomaten bij haar werden afgeleverd. Dat alles tot buitengewone ergernis van haar moeder, die haar waarschuwde voor de gevaren die in al die leren banden scholen. Boeken, Matilde, zijn de verzoeking van de duivel zelve, zei María, die zich ongerust maakte over wat de obsessie van haar dwaze dochter in haar huis kon aanrichten, de dochter die het meest op haar man leek, een gelijkenis die María zo’n pijn deed dat ze al jaren niet meer naar Matilde had gekeken.
Later, toen Matilde de vijftig was gepasseerd en ze genoeg woorden in haar hart had verzameld om de aarde duizendmaal te omspannen, onderhield ze de jonge kinderen van de stad met verhalen over de schoonheid van een metafoor, de muziek van poëzie, de rust van een woord dat onbezoedeld is door geur, door het uitblijven van een aanraking, door het overstelpende verdriet van een kind dat niet gezien wordt door haar moeder.
Lezersreacties
|
 |