MM BOEKEN LEESCLUBWIJZER Louann Brizendine


 

 

 

 

 

 

Louann Brizendine is neuroloog en psychiater. Ze is als arts afgestudeerd aan Yale en als neurobioloog aan Berkeley, en was als staflid verbonden aan de Harvard Medical School. Ze is oprichter van de Women’s and Teen Girl’s Mood and Hormone Clinic. Brizendine woont met man en zoon in de Bay Area van San Francisco.

IInhoud

Aangeboren of aangeleerd? Wat is de beste verklaring voor de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke interacties, van de heftigheid van vrouwenvriendschappen tot de wetten van de seksuele aantrekkingskracht? In het debat dat relaties, opvoeden en zelfs geschillen op de werkvloer be ïnvloedt, laat neuropsychiater Louann Brizendine met haar presentatie van actuele bevindingen inzake de fysiologie achter het vrouwelijke brein een fascinerend nieuw geluid horen. Dr. Brizendine verklaart de structuur van de vrouwelijke hersenen en de complexe hormonale dans die een leven lang wordt gedanst, en leidt daaruit belangrijke waarheden af terwijl ze schadelijke mythen verwerpt. De vrouwelijke hersenen, dat barstensvol verbazingwekkende feiten staat, is een opmerkelijke rondgang door de aangeboren distincties tussen mannelijke en vrouwelijke impulsen.


In gesprek met Louann Brizendine
Als hoogleraar in de neuropsychiatrie aan de Universiteit van Californië in San Francisco hebt u een paar vreemde conclusies getrokken over de vrouwelijke hersenen. In uw boek wordt gesteld dat de hersenstructuur bij de vrouw veel verklaart over haar gedrag, inclusief een zwak voor roddelen en telefoneren.
Het hormoon voor intimiteit is oxytocine en wanneer vrouwen met elkaar praten geeft dat ze een lekker gevoel. Vooral bij tienermeiden, als ze praten over wie met wie is, wie niet met wie praat, wie je wel en niet leuk vindt … dáár draait het om, dat is opwindend voor de meisjeshersenen.

U laat het klinken alsof het vrouwen bij vriendschap en intimiteit enkel en alleen om oxytocine te doen is.
Docenten van de onderbouw kunnen u vertellen dat meisjes samen naar de toiletten gaan; meisjes zeggen dat ze op hetzelfde moment moeten. Ze gaan omdat ze in alle beslotenheid de belangrijkste dingen van hun dag moeten uitwisselen, waardoor ze een hogere oxytocine- en dopaminespiegel krijgen.

In uw boek wordt een onderzoek aangehaald dat stelt dat vrouwen ca. 20.000 woorden per dag gebruiken, mannen daarentegen ca. 7000.
Eigenlijk had die formulering moeten luiden dat een vrouw dagelijks veel meer communicatiemomenten heeft: gebaren, woorden,fronsen.

Maakt het u niet uit dat u achterhaalde genderstereotypen van stal haalt die vrouwen neerzetten als door vrouwelijke hormonen gedomineerde kletskousen?
Een stereotype bevat altijd iets van waarheid, anders zou het geen stereotype zijn. Ik heb het over de biologische basis van gedragingen die we allemaal kennen.

Waren er onderzoeksbevindingen die u liever niet in uw boek wilde opnemen omdat ze kunnen worden ingezet bij het in stand houden van het seksistische denken?
Dit kan allemaal verkeerd worden opgevat. Ik maakte me bijvoorbeeld zorgen omdat het verhaal over zwangerschap en de mamahersenen kan worden uitgelegd als ‘eigenlijk moeten moeders niet gaan werken’. De hersenen krimpen 8% tijdens de zwangerschap en pas 6 maanden na de bevalling hebben ze hun oude omvang weer terug.

Hoe groot zijn de gemiddelde mannelijke hersenen?
Ongeveer even groot als een suikermeloen. Dat is 9 à 10% groter dan de vrouwelijke hersenen.

Maar de omvang van je hersenen heeft niets te maken met je intelligentiepeil, nietwaar?
Dat klopt. Je moet bedenken dat de vrouwelijke hersenen meer verbindingen tussen beide hersenhelften hebben en dat we 11% meer hersencellen hebben in wat de planum temporale wordt genoemd, het stukje hersenschors dat een rol speelt bij het waarnemen en verwerken van taal.

Als vrouwen superieure verbale vaardigheden hebben, waarom zijn ze dan in bijna alle samenlevingen ondergeschikt geweest aan mannen?
Vanwege de zwangerschap. Voor de geboortebeperking, in de achttiende en negentiende eeuw, werden niet-adellijke vrouwen tussen de 17 en 22 keer in hun leven zwanger. Al die eeuwen waarin mannen als Socrates en de zijnen oplossingen zaten te bedenken voor problemen, waren vrouwen hongerige mondjes aan het vullen en vieze billen aan het afvegen.

En toch zijn alle mensenhersenen in het begin vrouwelijk. Althans, dat stelt u in uw boek.
Alle hersenen beginnen met typisch vrouwelijke hersencircuits, tot de foetus de leeftijd van acht weken bereikt en er uit de piepkleine testikels een volwassen, mannelijke testosteronstroom op gang komt die via het bloed de hersenen bereikt. De hele basis voor de geslachtsspecifieke schakelsystemen van de mannelijke hersenen moet aangemaakt worden voor de geboorte, want dan komt de hele wegenkaart vast te liggen.

Uw boek put uitvoerig uit onderzoek van andere wetenschappers, maar zelf verricht u geen klinisch onderzoek. Is dat geen bezwaar?
Nee. Ik doe niet graag klinisch onderzoek, vanwege de placebo’s. In een zogenaamd dubbelblind placebo-gecontroleerd onderzoek weet arts noch patiënt wat de patiënt slikt. Ik wil patiënten geen placebo’s geven. Dat is wreed.

Hoe moeten wetenschappers een geneesmiddel tegen kanker vinden en de geneeskunde in algemene zin ontwikkelen als er geen gecontroleerde proeven worden gedaan?
Ik ben blij dat iemand ze doet, maar ik zorg liever dat vrouwelijke hersenen die mijn kliniek in komen in een betere conditie naar buiten gaan.

In de pers
Dit boek legt uit waarom we denken zoals we denken: vrouwelijke intu ïtie, lange telefoongesprekken en liefde op het eerste gezicht’ Oprah Magazine

‘Op speelse wijze volgt Brizendine de ontwikkeling van de vrouwelijke hersenen vanaf de geboorte, door de puberteit, zwangerschap, bevalling, menopauze en verder’ Deborah Tannen in The Washington Post

‘Een controversieel boek waarin Brizendine beweert dat het verschil tussen mannen en vrouwen begint met hun hersenen’ Newsweek
‘Eindelijk een bevredigend antwoord op de vraag van Freud: Was will das Weib? Louann Brizendine bewijst een dienst aan iedere man die de raadselachtige vrouwen in zijn leven wil begrijpen. Een speelse en verhelderende handleiding voor de vrouw – en verplicht leesvoer voor de man’ Daniel Goleman, auteur van Sociale intelligentie

‘Louann Brizendine heeft als eerste de medische wetenschap gebruikt om haar vrouwelijke patiënten mondig te maken. Deze met hard werken vergaarde kennis wil ze nu delen met een breder publiek. Het resultaat is een inzichtelijk boek dat leesbaar is, over de hele linie indruk maakt en op het juiste moment verschijnt’ Sarah Blaffer Hrdy, auteur van Moederschap: een natuurlijke geschiedenis

‘Een onthullend verslag van de biologische basis van menselijk gedrag. Voorbestemd om een klassieker te worden op het gebied van genderstudies’ Marilyn Yalom, auteur van Geschiedenis van de borst

‘De vrouwelijke hersenen is energiek, geestig, uitdagend en een genot om te lezen. Alle vrouwen (en de mannen die van hen houden) moeten dit boek lezen’ Christiane Northrup, MD, auteur van De moeder-dochterrelatie als bron van kracht, De overgang als bron van kracht en Vrouwenlichaam, vrouwenwijsheid

Leesclubvragen en discussieonderwerpen

  1. Dr. Brizendine begint met een beschrijving van het gebrek aan klinische gegevens over neurologie, psychologie en neurobiologie bij vrouwen; een gebrek waarmee ze tijdens haar medicijnenstudie in aanraking kwam. Hoe komt het dat de jarenlange nadruk op mannelijke studieobjecten de medische behandeling van vrouwen én mannen heeft vertekend? Wat moesten medici zoals dr. Brizendine aanvangen om het tij te keren?

  2. Bespreek de uiteenzetting in het boek over gender en agressie bij jonge kinderen. Wat geven zulke kennisgevingen, zoals het feit dat meisjes wellicht van nature zowel bazige fasen doormaken als tot samenwerken bereid beurtgedrag vertonen, aan over hoe we kinderen moeten voorbereiden voor deelname aan de maatschappij? Moeten we onze verwachtingen over ‘aanvaardbaar’ kindergedrag bijstellen en die aangeboren stramien erkennen?

  3. Kan inzicht in de adolescente vrouwelijke hersenen je eigen herinneringen aan puberale angsten verzachten of zelfs verlichten? Welke episoden lijken, geplaatst in een fysiologische context, minder verontrustend? Is het, gezien de manier waarop de genotscentra door roddels worden bestookt en seksuele aantrekkingskracht prioriteit krijgt, vergeefse moeite om te proberen de hersenen van het tienermeisje te temmen?

  4. Hoe kun je het beste omgaan met het gegeven dat de meeste meisjes conflicten uit de weg gaan, terwijl jongens die vaak juist opzoeken? Wat zijn de voordelen en de uitdagingen van deze tegenstelling? Hoe komen volwassen manifestaties van deze kenmerken tot uitdrukking op de werkplek?

  5. Welke aspecten van de casestudy met Melissa en Rob over daten spraken jou het meeste aan? Kunnen deze bevindingen worden vertaald naar een ‘recept’ voor de liefde? Welke lering moeten alleengaande vrouwen trekken uit de vaststelling dat mannen in essentie jagers zijn en vrouwen kiezers?

  6. Wat heeft je in het hoofdstuk over seksuele bevrediging verbaasd? Wijkt het onderscheid dat dr. Brizendine aanbrengt tussen het mannelijke en het vrouwelijke orgasme af van wat je voorheen vond? Is er binnen het 21ste-eeuwse daten ruimte voor deze aangeboren genderverschillen?

  7. Wat houden de ‘mamahersenen’ in voor werkende moeders die net een baby hebben? Zou het goed of rampzalig zijn als meer vaders te maken krijgen met ‘papahersenen’, ook extreme vormen zoals het couvadesyndroom? Willen vrouwen ouderschapstaken van nature delen?

  8. Bespreek de gevaren en voordelen van het vermogen om de gezichtsuitdrukking van een man onopvallend en accuraat te kunnen lezen. Als je je emotionele opmerkzaamheid zou kunnen verminderen, zou je dat dan doen?

  9. Brengt meer inzicht in de intrinsiek verschillende communicatiestijlen die mannen en vrouwen hebben verlichting bij relationele ellende? Of is de communicatiekloof iets om wanhopig van te worden?

  10. Maakt de maatschappij grif gebruik van de wijsheid van vrouwen tijdens en na de menopauze? Krijgen de oma’s van vandaag meer of minder respect dan die van voorgaande generaties?

  11. Hoe sta je, gebaseerd op de bevindingen uit ‘Bijlage 1’, tegenover het controversiële onderwerp hormoontherapie? Hoe kom je het beste aan betrouwbaar doktersadvies over deze kwestie?

  12. Wat kun je voorspellen over de verschuivende inzichten omtrent genderstrijd in een cultuur die zich steeds bewuster wordt van de neurowetenschap? Hoe zullen onze dochters de geïdealiseerde en de volledig verwezenlijkte vrouw herdefiniëren?

  13. Hoe kunnen de soorten data die in ‘Bijlage 3’ worden gepresenteerd het toekomstige debat over seksuele oriëntatie vormgeven?

  14. Wat zeggen het uitvoerige notenapparaat en de literatuurver-wijzingen in het boek over de huidige onderzoeksaard? Op welke terreinen worden kennelijk de meeste vorderingen geboekt? Welk type onderzoeksbehoefte wordt gehonoreerd? Welke researchvraag zou je willen navorsen als je een onderzoek naar de vrouwelijke hersenen opzet?

  15. Wat voor effect heeft het lezen van persoonlijke, vaak emotioneel beladen onderwerpen door een wetenschappelijke bril? Welke geschillen uit voorgaande generaties hadden met onze huidige wetenschappelijke kennis over genderonderscheid verklaard kunnen worden?

  16. In welk stadium in dr. Brizendines tabel ‘Fasen van een vrouwenleven’ bevind je je momenteel? Op wat voor manier levert de tabel een bijdrage aan een verklaring van je vroegere gedrag en een voorspelling van je toekomstige reacties?
leesfragment

Wat ons vrouw maakt:
Meer dan 99 % van de mannelijke en vrouwelijke genetische codering is precies hetzelfde. Met dertigduizend genen in het menselijke genoom is minder dan 1% variatie tussen de seksen niet veel. Maar dat ene percentage verschil beïnvloedt elke cel in ons lichaam – van de zenuwen die genot en pijn registreren tot de neuronen die waarneming, gedachten, gevoelens en emoties doorgeven.
Voor het oplettende oog zijn de hersenen van vrouwen en mannen niet hetzelfde. Mannenhersenen zijn ongeveer 9% groter, ook na bijstelling in verband met lichaamsomvang. In de negentiende eeuw veronderstelden wetenschappers dan ook dat vrouwen minder hersencapaciteit hadden dan mannen. Vrouwen en mannen hebben echter evenveel hersencellen. Bij vrouwen zijn die cellen nu eenmaal compacter opeengepakt – als het ware ingesnoerd in het korset van een kleinere schedel.
In de twintigste eeuw gingen de meeste wetenschappers er lange tijd van uit dat vrouwen in neurologisch opzicht (en, afgezien van hun voortplantingsfuncties, elk ander opzicht) eigenlijk kleine mannen waren. Deze veronderstelling heeft de grondslag gelegd voor voortdurende misverstanden over de vrouwelijke psychologie en fysiologie. Wanneer je de hersenverschillen iets diepgaander bekijkt, onthullen ze wat vrouwen vrouw maakt en mannen man.
Tot de jaren negentig schonken wetenschappers weinig aandacht aan een fysiologie, neuroanatomie of psychologie van vrouwen los van die van mannen. Ik kon deze omissie zelf vaststellen toen ik in de jaren zeventig in Berkeley neurobiologie studeerde, toen ik aan Yale geneeskunde deed en tijdens mijn opleiding psychiatrie aan het Massachusetts Mental Health Center van de medische faculteit van Harvard. Als studente aan deze instellingen kwam ik hoegenaamd niets te weten over biologische of neurologische verschillen bij vrouwen, afgezien van de zwangerschap. Toen een hoogleraar op Yale op zekere dag een onderzoek naar diergedrag presenteerde, stak ik mijn hand op en vroeg wat de bevindingen voor vrouwtjesdieren waren in dit onderzoek. De hoogleraar, een man, deed mijn vraag af met een constatering: ‘Vrouwtjes worden bij dit soort onderzoek nooit gebruikt; hun menstruatiecycli zouden de data alleen maar in de war sturen.’
Het weinige onderzoek dat beschikbaar was, gaf echter aan dat de hersenverschillen weliswaar subtiel, maar toch diepgaand waren. Als klinisch psychiater raakte ik gefascineerd door de 2:1 vrouw-manratio bij depressie. Duidelijke redenen voor deze discrepantie werden door niemand aangedragen. Omdat ik op de universiteit zat toen de feministische beweging haar hoogtepunt beleefde, kwam ik zelf al snel uit bij politieke en psychologische verklaringen. Ik nam het typische jaren-zeventigstandpunt in dat het patriarchaat van de westerse cultuur de boosdoener moet zijn geweest. Dat had de vrouw ongetwijfeld onder de duim gehouden en haar minder functioneel gemaakt dan de man. Maar die uitleg alleen leek niet voldoende: nieuwe onderzoeken brachten wereldwijd eenzelfde depressieratio aan het licht. Ik begon te denken dat er iets groters, basalers en meer biologisch, gaande was.
Op een dag viel me op dat depressieratio’s bij mannen en vrouwen pas uiteen gaan lopen bij het bereiken van de twaalf- of dertienjarige leeftijd: wanneer bij de meisjes de menstruatie begint. Chemische veranderingen in de puberteit bleken iets in de hersenen teweeg te brengen, waardoor het aantal depressies bij vrouwen toenam. Destijds werd deze link door een gering aantal wetenschappers onderzocht; de meeste psychiaters waren net als ik geschoold in de traditionele psychoanalytische theorie, die jeugdervaringen onderzoekt maar niet uitgaat van een specifiek vrouwelijke hersenchemie. Toen ik rekening begon te houden met de hormonale conditie van een vrouw die ik psychiatrisch evalueerde, stuitte ik op de aanzienlijke neurologische effecten die haar hormonen in diverse levensfasen hebben op de vorming van haar wensen, haar waarden en zelfs op de manier waarop zij haar werkelijkheid ziet.
Mijn eerste openbaring over de verschillende werkelijkheden die geslachtshormonen creëren, kwam toen ik vrouwen ging behandelen die leden aan wat ik ‘extreem premenstrueel hersensyndroom’ noem. Bij elke menstruerende vrouw veranderen de vrouwelijke hersenen elke dag een beetje. Sommige delen van de hersenen veranderen per maand wel 25%. Soms levert dat een wankel evenwicht op, maar de meeste vrouwen kunnen de veranderingen wel aan. Enkele patiëntes van mij voelden zich echter op sommige dagen zo door hun hormonen gepiepeld dat ze niet konden werken of een gesprek konden voeren, omdat ze dan in tranen zouden uitbarsten of iemand zouden aanvliegen. De meeste weken van de maand waren ze betrokken, intelligent, productief en optimistisch, maar een simpele verschuiving in de toevloed van hormonen naar de hersenen bezorgde hun op bepaalde dagen het gevoel dat de toekomst er grauw uitzag en dat ze een hekel hadden aan zichzelf en aan hun leven. Die gedachten voelden echt en onderbouwd aan en de vrouwen handelden ernaar alsof ze de werkelijkheid voorstelden en altijd zouden blijven gelden, hoewel ze alleen voortsproten uit hormonale verschuivingen in hun hersenen. Zodra het tij keerde, werden ze weer hun optimale zelf. Deze extreme vorm van PMS, die bij slechts een paar procent van alle vrouwen voorkomt, was voor mij de kennismaking met hoe de werkelijkheid van de vrouwelijke hersenen als een blad aan de boom kan omslaan.