|


|
 |
Elizabeth Hickey studeerde kunst-geschiedenis en werkt als kunstexpert. Ze woont met haar man in Portland, de Verenigde Staten, en schrijft momenteel aan haar tweede roman.
Inhoud
Wenen was in 1886 een stad met elegante cafés, operahuizen en een bloeiende en avontuurlijke kunstenaarsgemeenschap. Daar ontmoette de twaalfjarige Emilie Flöge de controversiële losbol en kunstschilder Gustav Klimt. In dienst genomen door haar vader, een Weense zakenman, om haar de beginselen van tekenen bij te brengen, verschaft hij Emilie een opleiding die meneer Flöge niet voor ogen had toen hij haar in de wereld van armoedige kunstenaars, schildersmodellen en rijke weldoeners introduceerde.
De geschilderde kus volgt de ontwikkeling van de relatie tussen Klimt en Emilie. Ze bloeit op van een naïef meisje tot zelfbewuste vrouw, wordt de geliefde van een van de fascinerendste kunstenaars van de twintigste eeuw, en de eigenaresse van een exclusief modehuis dat Klimt helpt opzetten. Klimt ontpopt zich als een ondoorgrondelijke en seksueel boeiende figuur die geen enkele vrouw kan weerstaan. Desondanks onderhoudt hij een onverbrekelijke, levenslange verbintenis met Emilie.
De geschilderde kus is een ontroerend liefdesverhaal dat net zo sensueel en onweerstaanbaar is als het werk van Klimt.
Elizabeth Hickey aan het woord
Wist je altijd al dat je wilde schrijven?
Ik ben geboren en opgegroeid in Louisville, Kentucky, de Verenigde Staten. Mijn vader is een gepensioneerde advocaat en mijn moeder een presbyteriaanse predikante. Ik wilde altijd al schrijfster worden; ik gaf mijn moeder voor de kerst altijd zelfgeschreven verhalen. Tijdens mijn jeugd en mijn pubertijd wilde ik echter liever Olympisch zwemster worden, maar helaas werd ik hierin gehinderd door gebrek aan atletisch talent.
Ik ging naar het Williams College in Williamstown, MA, en had als hoofdvak kunstgeschiedenis. Voordat ik daar arriveerde, wist ik al dat ik het liefst de workshop schrijven van Jim Shepard wilde volgen, maar ik was toen nogal onzeker. Ik meldde me aan als eerstejaars, maar werd niet toegelaten (weinig eerstejaars werden toegelaten), en ik heb me pas opnieuw aangemeld toen ik ouderejaars was. Jim bleek een geweldige docent en mentor te zijn, en toen ik eenmaal serieus aan de slag ging met schrijven, was er geen houden meer aan.
Wanneer en hoe ben je voor het eerst met kunst in aanraking gekomen?
Op de middelbare school liet onze tekenleraar ons bekende schilderijen naschilderen. Ik probeerde een replica te schilderen van een schilderij van Vuillard dat ik had gevonden in de tentoonstellingscatalogus van het Armand Hammer, en schreef een essay over het leven van deze kunstenaar. Dat was mijn eerste echte kennismaking met kunst.
Hebben kunst en schrijven altijd een belangrijke rol in jouw leven gespeeld?
Na mijn eindexamen ben ik teruggegaan naar Louisville en bij een uitgeverij en bij een boekhandel gaan werken, terwijl ik ondertussen mijn aanmelding voor een universiteit voorbereidde. Ik werd door diverse schrijfprogramma’s afgewezen en stond op de wachtlijst voor de Indiana University en de Colombia University. Net toen ik erover dacht om naar Engeland te verhuizen danwel te kiezen voor een andere radicale verandering in mijn leven, werd ik gebeld door de Colombia University. Dit was in augustus 1995. Ik was – en dit is écht waar – de laatste persoon die ze van de wachtlijst hadden gekozen. Ik had twee weken om alles te regelen en naar New York te gaan. Terwijl ik op de Colombia University zat, kon ik regelmatig de beste musea van New York bezoeken: het Metropolitan Museum of Art, de Frick Collection en het Museum of Modern Art.
In 1999 ontving ik mijn bul van de Colombia University en verhuisde daarna naar Portland, Oregon, waar ik als secretaresse op een advocatenkantoor werkte. Na een jaar nam ik daar ontslag en ben ik De geschilderde kus gaan schrijven, terwijl ik ondertussen van mijn spaargeld leefde.
In de pers
‘Een sfeervol en gepassioneerde literaire roman’ Ladies & Gentlemen
‘Een volrijpe, boeiende en fijn gestileerde roman’ Leeuwarder Courant en PZC
‘Naast een interessant historisch cultureel tijdsdocument vooral een boeiend verhaal over een ongrijpbare liefde’ NBD/Biblion
‘Kunsthistorica Elizabeth Hickey hun relatie , de stad en de tijd waarin ze leefden en de bekende Weners die hen omringden prachtig beschreven. Een bonus, want de kern is een prachtige liefdesgeschiedenis’ Nouveau
‘Elizabeth Hickey verhaalt over het uitbundige leven van de kunstschilder en het artistieke Weense milieu waarin hij zich bewoog. Bovendien fantaseert ze honderduit over de raltie die de schilder met zin muze en favoriet model Emilie zou hebben gehad (…) een zinderend, sensueel boek’ Happinez
‘Elizabeth Hickey weet door haar levendige beschrijvingen van zowel mensen, relaties, kunst als locatie, te boeien tot de laatste zin’ Boekenrubriek.nl
Leesclubvragen
en discussieonderwerpen
- In welk opzicht verschilt de ervaring van het lezen van een roman die op waargebeurde feiten is gebaseerd van het lezen van een compleet fictioneel verhaal? Wat wist je over Gustav Klimt voordat je dit boek ging lezen? Werpt dit verhaal nieuw licht op datgene wat je al wist? Heeft het personage Klimt je tijdens het lezen verrast?
- In het verhaal worden twee verschillende periodes uit Emilie Flöge’s leven behandelt: het einde van de negentiende eeuw en het midden van de twintigste eeuw. Waarom denk je dat de auteur hiervoor gekozen heeft? Welk beeld krijgen we van de oude, wijzere Emilie, die geportretteerd wordt tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog? Hoe was dit verhaal geweest als het lineair was verteld?
- Emilie is opgegroeid in een wereld waarin uiterlijk vertoon het allerbelangrijkste is. Al vroeg wordt haar geleerd dat vrouwen zich vooral bezig moeten houden met hoe ze zichzelf presenteren en zich niet druk moeten maken over hoe ze zich voelen of wat ze denken, daarom is haar relatie met Gustav Klimt [iconoclastisch ???] zo bijzonder voor haar. Hij is niet alleen geïnteresseerd in haar meest intieme gedachten en gevoelens, maar hij toont ook erg weinig interesse in de beschaafde wereld. Wat symboliseert Gustav precies voor het jonge meisje? Op welke manier gaat hij in tegen de heersende denkbeelden van zijn tijd? Hoe staat zijn rol als kunstenaar dit hem toe?
- Gustav en Emilie hebben hetzelfde artistieke temperament. Emilie’s salon is meteen een enorm succes, maar ze worstelt om haar artistieke integriteit te behouden, ondanks het feit dat haar klanten vaak minder geïnteresseerd zijn in kunst. Zoals ze naar voren brengt: ‘Dat was de schaduwzijde van proberen geld te verdienen. Soms moest je goede smaak helemaal opgeven.’ (p. 234). We zien dit ook steeds opnieuw met Gustavs kunst – artistieke visie botst vaak met commerciële belangen. Op welke manier is dit concept in de roman verwerkt? Is er een oplossing voor de kunstenaars, een manier voor hen om trouw aan hun idealen te blijven zonder te verhongeren? Hoe wordt dit debat voortgezet in de huidige tijd?
- Op een bepaald moment schildert Gustav een portret van Emilie in een jurk die ze zelf heeft gemaakt. Emilie is een beetje bang voor het resultaat, en vraagt: ‘Is dit echt wat je ziet als je naar me kijkt?’ Klimts antwoord slaat meer op kunst in het algemeen dan op het specifieke schilderij: ‘Het zou makkelijk zijn het als rationeel en ordelijk af te beelden, als de Atheense School, maar dat zou oneerlijk zijn. Het is absoluut angstwekkend om de chaos van het menselijk bestaan zichtbaar te maken, de duisternis van de menselijke geest te erkennen, maar zodra je het hebt gedaan kun je zien dat er ook licht is.’ (p. 201). Welke betekenis heeft dit idee in het licht van het hele verhaal? Hoe laat Klimt de duistere kant van het leven zien, terwijl hij ook hoop geeft? Is er hoop te vinden in dit verhaal?
- Later in de roman legt Emilie uit hoe Gustav hun relatie privé houdt: ‘Ik ben geen onderwerp dat hij ooit bespreekt, niet met Hoffmann, niet met zijn moeder, met niemand. Ik ben in zijn leven en hij wil niet weten waarom, of op wat voor manier.’ (p. 212) Werpt dit citaat licht op de aard van hun relatie? Waarom is het zo belangrijk voor Gustav dat Emilie niet door andere vrouwen besproken wordt?
- Waarom voelt Gustav de behoefte om de vrouwen in zijn leven te categoriseren? Terwijl hij Emilie behandelt als een kameraad en een zielsverwant, iemand die (behalve in zeldzame gevallen) geen fysieke passie opwekt, heeft hij schijnbaar weinig moeite om het bed te delen met andere vrouwen. Zo lang deze twee werelden niet verenigd worden, lijkt hij enigszins tevreden. Wat zegt dit over zijn karakter? Waarom plaatst hij Emilie op een voetstuk, terwijl iedere andere vrouw een gelijke partij is? Is het hypocriet dat hij Emilie puur wil houden, of verraadt het zijn alternatieve culturele idealen?
- Hoe zit het met Emilie’s deel in deze relatie? Waarom brengt ze haar jeugd door in een permanente staat van onzekerheid met een man waarvan ze weet dat hij nooit met haar zal trouwen, ten koste van haar eigen geluk? Heeft Emilie een zelfvernietigende kant die haar in staat stelt om haar tijd te verkwisten (zoals sommigen het beschrijven) met Gustav, of denk je dat ze echt geloofde dat hij ooit van haar zou zijn? Is het mogelijk dat Emilie is aangetrokken tot Gustav juist omdat ze hem niet kan hebben? Wat denk je dat de auteur hierover zal zeggen?
- Adele, misschien een van Gustavs meest interessante maîtresses en een van zijn meest bekende onderwerpen, is een lastig karakter om te definiëren, zowel voor de hoofdpersoon als voor de lezer. Ook al is ze verwend, ze straalt een melancholie uit die bijna tragisch lijkt. Wanneer ze praat met Emilie over wat voor nieuwe jurk ze wil, verklaart ze: ‘Ik heb geen behoeftes – alleen onvervulde verlangens.’ (229). Bespreek de aard van het verlangen zoals het gepresenteerd wordt door Adele in de roman. Wat voor verschil is er tussen een behoefte en een verlangen en waarom voelt Adele de behoefte om de aandacht erop de vestigen? Op welke manier kan Adele representatief zijn voor de vrouwen van haar klasse? Waarom is ze zo ongelukkig, zo verveeld, ondanks de voordelen die ze heeft als rijke vrouw?
- Peinzend over Gustav en zijn relatie met zijn werk, denkt Emilie: ‘Sommige critici zeiden dat hij niet om zijn modellen gaf, dat hij alleen geïnteresseerd was in het drukke ontwerp dat hij eromheen bouwde, maar dat was niet waar. Dat portret zei wat belangrijk was om over Adele te zeggen. Het zei ook veel over hem; hij was verliefd op haar toen hij het schilderde, daar ben ik heel zeker van.’ (p. 245) Klimt is een ietwat ongrijpbaar karakter in dit verhaal, omdat hij alleen door de ogen van Emilie bezien wordt. Haar perspectief is niet alleen subjectief omdat alle perspectieven dat zijn, maar ook omdat ze verliefd op hem is en misschien een kant van hem ziet die anderen niet zien. In hoeverre is onze hoofdpersoon te vertrouwen? Is haar visie betrouwbaar? Ben je het eens met haar beoordeling van Klimt, of denk je dat ze misschien verblind wordt door haar gevoelens?
- Later in de roman, wanneer Emilie de schilderijen van Adele bekijkt, beroemde schilderijen die ze moet ‘beschermen’, fantaseert ze erover ze te vernietigen. Waarom wil ze Klimts werk beschadigen en waarom ziet ze er uiteindelijk vanaf? Op welke manier representeert dit de gecompliceerde relatie tussen Emilie en Gustav?
- Voor de Gustav Klimt uit deze roman is De Kus zijn grootste prestatie. Hoewel hij Emilie smeekt te poseren voor dit schilderij, voelt hij zich verplicht om haar figuur later te veranderen, zodat het minder op Emilie lijkt en ‘meer universeel’ wordt. Wat vind jij, is het Klimt de kunstenaar, of Klimt de man die besluit het schilderij op deze manier te veranderen? Hoewel hij wil dat dit schilderij ‘een verklaring’ geeft over hemzelf en Emilie, kan hij zich er uiteindelijk niet toe zetten. Waarom is dit?
- Waarom denk je dat De Kus, een allegorisch schilderij over de liefde, zo betekenisvol is voor Gustav? Wat betekent liefde voor een man als Gustav, een man die weigert om zijn onechte kinderen te onderhouden, maar tegelijkertijd veel lijkt te geven om de mensen in zijn omgeving?
leesfragment
Kammer am Attersee, 21 oktober 1944
Een dikke leren portfolio met een zilveren slot was het enige wat ik meenam toen ik Wenen verliet. Ik vertrok overhaast en ik moest veel dingen achterlaten. Een rozenhouten kast die Koloman Moser voor me had gemaakt. Twaalf couverts van Wiener Werkstätte-zilver, ontworpen door Hoffmann. Mijn kostuumverzameling. Een van Fortuny’s beroemde Delphos-jurken. Een lichtgele, schuin gesneden satijnen jurk van madame Vionnet. Paul Poirets saffierblauwe harembroek en met edelstenen getooide muiltjes. En de schilderijen. Ze waren het kostbaarste van alles, maar te groot en onhandig om in de trein mee te nemen. En zodra ik besefte dat de schilderijen niet konden worden vervoerd, leek het belachelijk om wel meters stof, of een hoedenpen, of krantenknipsels en modetijdschriften mee te nemen. Wat moest ik doen, een relikwieënkist maken van de overblijfselen van mijn oude leven, terwijl de sleutels ervan in de kast van een verlaten appartement lagen?
Mijn nicht Helene maakte een lijst van dingen die we nodig hadden en pakte de koffers in, en ze ging winkelen om katoenen en wollen kousen te kopen en kamfersmeersel. Ik hield mezelf voor dat ze bezig moest blijven, dat ik haar een dienst bewees door haar voor alles te laten zorgen, maar dat was slechts een leugentje dat ik verzon, een excuus voor mijn hologige catatonie. Ik kon haar gewoon niet helpen, want daarmee zou ik erkennen dat we echt zouden vertrekken.
Ik stapte in de trein alsof ik naar de andere kant van de stad ging om de portfolio naar een galerie te brengen, en dit tweede leugentje was het enige wat me ervan weerhield om me op de rails te storten. Ik was bang dat ik zou sterven zonder de stad terug te zien.
‘Sinds wanneer ben jij zo theatraal?’ zei mijn nicht. Ze is het kind van mijn zuster Helene, en haar naamgenoot, maar soms doet ze me meer aan mijn andere zuster denken, de praktische Pauline. ‘Je gaat steeds meer op grootmoeder lijken,’ zei ze. ‘We gaan niet ver weg, en voor zover we weten is de oorlog over zes maanden afgelopen.’ Ze gaf me een hard broodje met een dikke klodder boter ertussen.
De trein was volgepakt met bezwete kinderen die over hun trui een jack en een jas droegen, en vrouwen met bultige pakketten, bestaande uit theeketels, soeppannen en in linnengoed gewikkelde messen. De vrouwen waren mager en nors, hun gezicht grauw. Hoewel de buitenste kledinglaag vermoedelijk hun beste goed was, waren de rokken gevlekt en gerafeld. De jassen van de kinderen waren versteld met niet-bijpassende lapjes en garens, die de meelijwekkende toestand alleen maar benadrukten.
We reden langzaam door de stad, langs de voorsteden en verderaf gelegen steden, en stopten regelmatig om nog veel meer van deze gezinnen in de trein te laten stappen. Iedere keer dacht ik dat er niemand meer bij kon, maar op elk station zag ik de menigte en wist dat we plaats voor hen zouden maken. Ze hoopten zich samen op de bagagerekken; ze zaten als gestapelde kommetjes op elkaars schoot.
We reden langs kale heuvels waar eens druiven groeiden. Langs modderige velden waar honderden mensen kampeerden, die alles in elkaar flansten wat maar een beetje onderdak kon verschaffen, van stukken blik tot kranten. We reden langs de legerbarakken. Vrachtauto’s vol soldaten bevolkten de wegen.
Ik gaf mijn broodje aan een armoedig kind op de vloer naast me. Ze duwde het hele geval in haar mond en leek het zonder kauwen door te slikken. De overdreven dankbaarheid van de moeder beschaamde me.
Vijf uur later reed de trein ons station binnen, twee haltes ten oosten van Salzburg, en leverde ons af in onze ballingschap. Ik kan niet net doen of we hier voor de zomer zijn: de wolken zijn metaalachtig grijs en het meer is ijskoud. De berken zijn kaal en staan te rillen. Boven in de bergen sneeuwt het.
Zonder mijn spullen voel ik me verdrietig. Ik heb zoveel tijd om handen.
Ik bewaar het leren foedraal in een biedermeier kast in mijn slaapkamer. Mijn vader hield van biedermeier zoals hij van een fraai gemaakte pijp hield. Hij staat daar, zo kunstig en vaardig bewerkt, een beschuldiging van alles wat ik niet ben.
Op sommige middagen, wanneer het pad naar het meer zelfs voor mij te modderig is en de donderslagen door de vallei rollen als mortiergranaatinslagen, of misschien zijn het de mortiergranaten, ik kan ze echt niet goed uit elkaar houden, haal ik de portfolio uit de kast en leg hem op het bed. De dikke kaft is bekrast en gehavend, en ruikt naar de rijtuigjes die vroeger naast de St. Stephen’s kathedraal in een rij stonden. Het ziet er misplaatst uit op het kanten dekbed van eiderdons dat ik al heb sinds ik een klein meisje was. Ik kijk er even naar, strijk er met mijn hand overheen alsof het een hert is dat ik heb gedood, open het slot en daarna het foedraal zodat alle tekeningen op het bed vallen. Het zijn er honderd en twaalf, om precies te zijn. Ik ga op het bed naast de stapel zitten en pak de vellen een voor een op. Ik maak kleinere stapeltjes, en sorteer ze naar houding, model en datum. Ik rangschik ze op hoe goed ik ze vind en leg mijn favorieten bovenop.
Ze zijn allemaal anders: sommige zijn met houtskool getekend en sommige met grafietpotlood en andere met gekleurd oliekrijt. Sommige hebben het formaat van mijn handpalm en andere zijn vele malen opgevouwen om in het leren foedraal te passen. Sommige zijn op dik, bobbelig papier getekend, en andere op dun, glad papier dat door mijn vingers op de grond glijdt. Sommige van de tekeningen zijn al dof en broos en breken in mijn handen als vergaan kant.
Toch zijn ze op een bepaalde manier hetzelfde, omdat ze allemaal van vrouwen in verschillende stadia van ontkleding zijn. Het zijn snelle schetsen, een paar lijntjes zonder kleur of schaduw, in een paar minuten op papier gezet. Gewichtloze vrouwen, leeg, als figuren in een kinderkleurboek. Er is een vrouw die schrijlings op de leuning van een divan zit, haar lichaam gedraaid in een lome houding. Een vrouw die een hooggesloten jurk en laarzen draagt, haar hand onder de vele onderrokken gestoken om zichzelf door een gapend gat in haar onderbroek te betasten. Een andere vrouw, met een doordringende blik, die kousen met kousenbanden draagt en een blouse. Een tekening van een vrouw die op haar rug ligt met haar benen naar een kant geworpen, haar billen domineren de bladzijde aangezien haar schouders en hoofd nauwelijks zijn weergegeven.
Ik ken de namen van al deze vrouwen. Dit is Alma, en dat Maria, dit is Mizzi en dat Adele. Sommigen van hen kende ik heel goed, anderen passeerde ik slechts in het voorbijgaan bij het in- en uitlopen van de studio, en sommigen zag ik nooit, maar ik heb aan ze gedacht en door de jaren heen zoveel over ze gehoord dat ik het gevoel heb ze heel goed te kennen. Ik ken hun levens.
Toen ik zei dat de tekeningen allemaal hetzelfde waren, was ik niet helemaal correct. Een is anders. Die is van een man die een vrouw omhelst, terwijl zij haar gezicht met een gelukzalige uitdrukking naar de kijker draait. Ik bewaar hem onderaan omdat het te veel pijn doet ernaar te kijken.
Dit was het enige wat ik uit Wenen kon meenemen, Gustavs tekeningen. Hij vond ze nooit veel bijzonders en nam ze als kunst niet serieus; het waren voorbereidingen, oefeningen, plannen, blauwdrukken, vergissingen. Maar nu zijn het misschien de enige dingen van hem die overleven, en ik moet ze beheren bij gebrek aan iets belangrijkers of voltooide stukken. Ik moet ze kritisch bekijken en parallellen trekken en in een historische context plaatsen voor iemand, iemand die er in de toekomst misschien belangstelling voor zal hebben. Ondertussen zijn ze van mij, en ik ben alleen met ze, en ik kijk ernaar om ze levend te houden.
Ik vind het bureau op de tast en steek de olielamp aan. Ik loop naar de toilettafel en ga voor de spiegel zitten. Mijn haar is wit, maar nog steeds dik en golvend. Mijn gelaatstrekken zijn niet meer zo scherp als vroeger. Een schilder zou enkele plooien in mijn hals achterwege laten om mijn gevoelens niet te kwetsen. Maar mijn ogen zijn nog zo doordringend als toen ik twaalf was. Ik trek de kammen uit mijn haar, ivoren kammen die ooit van mijn moeder waren, die mijn vader eens in Venetië voor haar heeft gekocht, en laat het op mijn schouders vallen. Oude-wijvenhaar, noemt Helene het. Zij vindt dat vrouwen van een bepaalde leeftijd hun haar heel kort moeten laten knippen, zoals Gertrude Stein. Dat zegt ze terwijl ze met haar donkere, dikke vlecht speelt, die hier en daar een vleugje grijs vertoont. Ik denk dat ze er anders over zal denken als ze zeventig is, maar het enige wat ik haar zeg is dat ze, wanneer ik dood ben, met me mag doen wat ze wil.
De haren van mijn zilveren haarborstel zijn vergeeld en zacht door ouderdom, en ze hebben nauwelijks effect op mijn verklitte lokken. Ik steek mijn hand in de la en haal een schaar te voorschijn.
Door mijn onderkleding heen zou ik een gat in mijn dij kunnen prikken. De huid van mijn dij is papierdun. Er zou niet veel voor nodig zijn om mezelf van kant te maken, een kleine steekwond die geïnfecteerd raakt, een lichte bloedvergiftiging. Of ik zou een stukje uit de katoenen stof kunnen knippen, alsof ik een doosje openmaak. Het uitgeknipte stukje zou als een sneeuwvlok op de vloer dwarrelen. Ik zou naar het bed kunnen gaan, en mijn benen spreiden, de rok van mijn jurk over mijn heupen trekken. Ik zou mijn hand door het gat kunnen steken dat ik heb geknipt en mijn vingers heen en weer wrijven. Ik zou dezelfde houdingen kunnen aannemen als in de portfolio. Als ik dat deed, zou Gustav misschien komen, in de rode kaftan die ik voor hem heb gemaakt, waarin hij op Johannes de Doper lijkt. Ik zou model voor hem staan zoals ik dat in mijn hele leven nooit heb gedaan, en hij zou me tekenen zoals hij de anderen op papier heeft getekend.
Maar ik doe al die dingen niet, en Gustav komt niet. In plaats daarvan leg ik de schaar terug in de la, blaas de lamp uit en kruip in bed. Misschien kan ik in mijn slaap naar Wenen terugkeren, naar de studio. Misschien kunnen de tekeningen naast het bed in mijn dromen meer worden dan saaie stukken papier.
Lezersreacties
‘De geschilderde kus is levendig, sfeervol, onderhoudend, en zeer, zeer echt’ Susan Vreeland
‘Een meeslepend en geloofwaardig geschreven verhaal dat je nieuwsgierig maakt naar de schilderijen van Klimt. Aanrader!’ Marja van Weijen van Boekhandel J.S. van Leeuwen in Schiedam
|
 |