Omslag De geheime zoon[9789058315052]
  bestellen bij BOL.com

De geheime zoon
Hoe ver moet een jonge man gaan om zijn dromen waar te maken?
Laila Lalami

vertaler:
 Ankie Klootwijk en Ernst de Boer
formaat:
 12,5 x 20,0 cm
omvang:
 256 blz.
prijs:
 € 16,95
leverstatus:
 Leverbaar
ISBN:
 9789058315052


Inhoud

Bekijk nu de booktrailer op de Nieuwspagina!

Grootgebracht door zijn moeder in de krottenwijken van Casablanca heeft Youssef el Mekki altijd grote dromen gekoesterd. Nu is hij een negentienjarige student en kijkt hij oude films in een vervallen buurtbioscoop. Geen film laat hij aan zich voorbij gaan en ondertussen stelt hij zichzelf voor als de held, in een ander leven, in een andere wereld. En dan, op een dag, komt het onbereikbare opeens binnen handbereik.
Youssef ontdekt dat zijn vader, van wie hij dacht dat hij dood was, springlevend is. Nabil Amrani, een welvarend zakenman, wil graag zorgen voor de zoon die hij nooit gekend heeft, hem een deel van zijn leven maken en een nieuwe start geven. Klaar voor de rol van bevoorrechte zoon laat Youssef zijn moeder achter, trekt in een groot penthouse, mengt zich in de upper class, en maakt van dichtbij mee hoe geld deuren opent en mogelijkheden schept.
Zijn toekomst lijkt verzekerd - totdat een ongelukkig keren van het lot hem weer terugwerpt in zijn oude wijk, bij zijn vroegere vrienden. Opnieuw is Youssef opgesloten in zijn klasse, met het pijnlijke besef hoe beperkt zijn kansen zijn geworden zonder geld en connecties. Dit maakt hem een gemakkelijke prooi voor een extreme islamitische groepering, simpelweg bekend als De Partij.

In de pers
‘Hartverscheurend. De geheime zoon is een schitterend boek over hoop, familie en liefde. Een aanrader.’ – Fok.nl

'De geheime zoon geeft ons inzicht in de complexiteit van het dagelijks leven in hedendaags Marokko.' - Booklist

'Heel sterk en prachtig geschreven (...) Een geweldig verhaal over verwijdering en wanhoop, dat lezers makkelijk meevoert naar het warme, stoffige Casablanca: een aanrader!' - Library Journal (starred review)

Bibliografie
Hoop en andere gevaarlijke verlangens (Sirene, 2006)

Biografie Laila Lalami
foto van Laila Lalami Laila Lalami (1970) is geboren en opgegroeid in Marokko, en studeerde later in Marokko, Engeland en de Verenigde Staten. Ze schrijft essays en recensies en haar artikelen zijn onder andere verschenen in The New York Times, The Los Angeles Times, The Boston Globe, The Nation en The Independent. In 2005 debuteerde ze met de verhalenbundel Hoop en andere gevaarlijke verlangens, waarmee ze op de shortlist stond van de Caine Prize for African Writing 2006.


Website
www.lailalalami.com

Leestips
Hoop en andere gevaarlijke verlangens

Leesfragment
De eerste keer dat Youssef de hal van het AmraCo-gebouw binnenliep en vroeg of hij Nabil Amrani kon spreken, kreeg hij te horen dat monsieur le directeur in Parijs was. De tweede keer was monsieur le directeur naar de busremise in Aïn Sebaa. De derde en de vierde keer woonde hij een zakenconferentie in het centrum bij. De vijfde keer zat hij in een vergadering waarvan onduidelijk was hoe lang die ging duren; pas om zes uur ’s avonds, toen de nachtwaker arriveerde, was Youssef die dag naar huis gegaan, en de volgende dag weer teruggekomen. De secretaresse van meneer Amrani werd helemaal gek van zijn vasthoudendheid: hij hoorde haar door de hoorn van de telefoon tegen de receptioniste tekeer gaan. Op de zevende dag, toen alle moed en energie uit hem leek te zijn weggevloeid, kreeg hij te horen dat meneer Amrani vijf minuten voor hem had.
Hij nam de lift naar de achtste verdieping. De secretaresse van Nabil Amrani wees zonder hem ook maar een blik waardig te keuren naar een leren bank tegenover haar bureau. Hij ging rustig zitten. Aan de muur rechts van hem hing een poster van een maagdelijk strand met een knap Europees stel dat plezier maakte in de branding. In grote letters stond erop: MAROKKO: ONTDEK DE MAGIE. Met haar ogen op het computerscherm gericht typte de secretaresse onafgebroken door. Hij wachtte meer dan een halfuur en keek afwisselend naar de poster en de secretaresse. Plotseling klonk de stem van Nabil Amrani door de luidspreker op haar bureau. ‘Stuur hem maar naar binnen, Fadila.’
Youssef bleef zitten. Een deel van hem wilde naar binnen rennen, een ander deel wilde naar buiten rennen.
‘Ben je doof of zo?’ vroeg Fadila geërgerd. ‘Ga naar binnen. Hij kan je nu ontvangen.’ Ze liep naar de deur en hield die wijd open.
Het moment was aangebroken. Voor het eerst stond hij oog in oog met de vader die hij nooit had gekend, hoorde hij het timbre van zijn stem en zocht in zijn gezicht naar gelijkenis – en hij kon nauwelijks iets uitbrengen. Nabil had dezelfde huid, dezelfde blauwe ogen en hetzelfde golvende haar als Youssef, maar hij had ook de gele tanden en de paarse lippen van een verstokte roker, een buikje dat wees op een voorliefde voor bier, lekker eten of beide, en hij zag er wat verfomfaaid uit, alsof hij was gestoord terwijl hij net een moment voor zichzelf had. Naast de onvermijdelijke teleurstelling die altijd optreedt als de werkelijkheid botst met de droom, zag Youssef nog iets wat hij niet had verwacht: de volslagen wanhoop in de ogen van zijn vader. In een opwelling wilde Youssef zijn hand uitsteken en hem aanraken. Maar nauwelijks had hij een paar passen in de kamer gezet, of de uitdrukking op het gezicht van zijn vader veranderde en maakte geleidelijk plaats voor nauwelijks verholen ongeduld. Youssef voelde zich zo totaal misplaatst in dit fraai ingerichte kantoor en werd zo van zijn stuk gebracht door die blik in zijn vaders ogen, dat hij zich zonder het te willen afstandelijk opstelde. Hij stak zijn hand uit en keek zijn vader koel aan. ‘Ça va?’ vroeg zijn vader automatisch.
Je vais très bien, merci.’ Er verscheen even een verraste blik in de ogen van zijn vader. Hier was hij nou bang voor geweest – zijn vader had zich al een oordeel over hem gevormd zonder iets van hem te weten.
‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Ik ben niet gekomen om een gunst te vragen.’ Op het bureau tussen hen in stonden verscheidene foto’s in zilveren lijstjes. Op een ervan stond een vrouw van middelbare leeftijd, waarschijnlijk Nabils vrouw, in een bordeauxrode kaftan met een brede goudkleurige ceintuur, maar alle andere waren foto’s van een meisje, steeds op een andere leeftijd: als een jong kind in een blauw katoenen jurkje, met een brede glimlach waardoor je de gaten van de ontbrekende melktanden zag, als tiener die chagrijnig van over haar boek in de camera keek, als jonge vrouw in een zwarte jurk die haar vader op een receptie bij de arm vasthield. Het verraste Youssef dat het hem genoegen deed dat het meisje (zijn halfzus? Ja natuurlijk, dat moest zijn halfzus zijn) meer op haar moeder leek, terwijl hij meer gelijkenis met zijn vader vertoonde.
‘Wat kom je hier dan doen?’ vroeg Nabil nauwelijks hoorbaar.
Plotseling werd Youssef overvallen door een gevoel van gêne. Hij schaamde zich te erg om uit te leggen wie hij was: het vergeten buitenechtelijke kind. De woorden kwamen niet over zijn lippen. ‘Ik denk dat u dat wel weet,’ zei hij ten slotte. Dat leek niet veel uit te halen. Nabil trok alleen zijn wenkbrauwen op en keek hem vorsend aan, maar zei niets.
Youssef fluisterde: ‘Ik ben uw zoon.’
Nu verscheen er een oprecht verraste blik in de ogen van Nabil. Wist hij het dan niet? dacht Youssef. Dat was onmogelijk. Hoe kon hij dat niet weten?
‘Ik denk dat we dit beter buiten kunnen bespreken.’
Ondanks zijn teleurstelling viel het Youssef op dat zijn vader op precies dezelfde manier reageerde als zijn moeder en hijzelf. Zijn moeder had het geheim over zijn afkomst bijna zijn hele leven lang verborgen gehouden. Hijzelf had de waarheid ook verbloemd sinds hij die kende. En nu het moment was aangebroken dat zijn vader ermee werd geconfronteerd, was diens eerste reactie het kantoor uit te gaan, en Youssef voor de ogen van anderen verborgen te houden.
De aanblik van Nabil, welgesteld en zelfverzekerd, duidelijk gewend dat de wereld zich naar hem voegde, maakte diep in Youssef iets los dat van hem eiste dat hij een daad stelde – het maakte niet uit wat. Toen zijn vader zich omdraaide om zijn jasje te pakken, griste Youssef een zilveren presse-papier in de vorm van een ster van het bureau en liet die in zijn zak glijden. Hij had nog nooit iets gestolen, en hij had er onmiddellijk spijt van. Hij zou hem hebben teruggelegd, maar op dat moment keek zijn vader hem recht aan en gebaarde in de richting van de deur. De presse-papier voelde zwaar aan in Youssefs zak, en hij voelde zich afschuwelijk terwijl hij met zijn vader door de hal liep, de lift in stapte en de straat op liep.

[Uit hoofdstuk 6, 'De andere kant']

Lezersreacties

Reageer ook op dit boek